Zelfinzicht door de eeuwen heen

Uit de oudste ons bekende geschiften blijkt dat zelfinzicht en zelfreflectie essentieel waren. Niet zozeer om goed te presteren, maar meer in het kader van de groei van de ziel, in het belang van een goede omgang met anderen en met het oog op het ordenen van de maatschappij. Hieronder enkele high-lights.

India

Volgens één van de filosofieën van het oude India, de Upanishaden (750 – 500 voor Christus), krijgt men toegang tot het wezen van de wereld door diep in ons eigen innerlijk te kijken. Kennis van de uiterlijke werkelijkheid heeft geen waarde: de wereld van de dingen in ruimte en tijd is voor hen slechts een drogbeeld of illusie. Zij is Maya, zoals de Indische uitdrukking luidt. De Upanishaden gaan uit van een alles doordringende geestelijke realiteit, die zowel de natuur, het leven, het lichaam en de geest omvat. Het ontwikkelen van een empirische wetenschap in de westerse zin was dan ook niet aan de orde. De Upanishaden waren ook een geheime leer: ‘de waarheid is niet voor het verstand toegankelijk, is niet in woorden te vatten’ en is ook niet voor iedereen toegankelijk. De uitverkorene moet een lange weg bewandelen om haar te bereiken: vasten, zwijgen, rust, strenge concentratie, zelftucht. Daarbij de aandacht en de wil volkomen van de buitenwereld aftrekken. Op die manier wordt de geest in staat gesteld om, door alle bedrieglijke omhulsels van Maya heen, te komen tot de kern van het Zelf, het zogenaamde Atman. Zelfverloochening, afstand doen van succes en lust en zich bewust moeite en pijn opleggen speelde hierbij een rol als nergens anders in de wereld. Het inzicht kon in vier trappen, elk van ongeveer twintig jaar, worden bereikt. Een leven lang leren dus!

China 

In het China van rond 600 voor Christus kende men de Tao als grondbeginsel en daarnaast de leer van Confucius. Confucius had geen van de wereld afgekeerd ideaal, maar bepleitte de verlichte, wereld en mens kennende en in alles de juiste maat houdende wijze mens. Deze wijze werd wijzer door voortdurende zelfopvoeding, door zedelijke ernst in alle situaties en door oprechtheid in de omgang met de medemens. Hij vergeldt goedheid met goedheid en kwaad met gerechtigheid. Hij vormt zijn eigen karakter en helpt anderen bij de vorming. Het uiterlijke en innerlijke zijn in evenwicht. De bekendste uitspraak van Confucius is: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet!”. Hij eiste van bestuurders een onberispelijke levenswandel en benadrukte voortdurend de morele plichten. De kern van zijn leer, De Grote wetenschap, kort samengevat: om tot orde en welvaart te komen, moet iedereen, ieder individu, bij zichzelf beginnen, met het eigen innerlijk; daarbij geeft de regerend vorst het volk leiding door het winnen van vertrouwen en door de inspirerende kracht van zijn voorbeeld.

zelfinzichtLao Tse had de Tao als grondbeginsel. Tao betekent ‘weg’ of ‘geest’ en is de in zichzelf onbegrijpelijke oergrond van de wereld. Omdat het Tao niet te begrijpen is, is de zekerheid van het niet-weten de hoogste kennis die we kunnen bereiken. Door vol overgave te proberen het Tao in de wetten van de natuur en de geschiedenis aan te voelen en tot richtsnoer van ons leven te maken, kunnen we het Tao wel ervaren. Dat veronderstelt volgens Lao Tse dat wij ons radicaal vrijmaken van alles dat ons afhoudt van de weg van het Tao, zodat we volop open gesteld staan voor het ene pad dat aarde en hemel beheerst, via het juiste midden. Dit houdt in dat de mens nooit vergeet dat hij voor het hogere leeft en niet voor zijn lust. De mens moet wel in de wereld staan en werken. De sleutel tot Tao is eenvoud: gewin, sluwheid, gekunsteldheid, zelfzucht en overmatige verlangens staan de volmaakte mens in de weg. Men komt tot rust en verlichting door stilte en toegewijde beschouwing van de natuur, zodat de edele mens ontstaat, die kiest voor zelfverloochening en zelfloosheid. Deze mens wordt volgens Lao Tse een voorbeeld voor de wereld: hij schittert door niet op de voorgrond te dringen, hij valt op door zich niet te doen laten gelden, hij komt tot aanzien door zichzelf niet te roemen en krijgt de eerste plaats door zich niet te verheffen. Waar Confucius kwaad met gerechtigheid beantwoordt, vergeldt Lao Tse slechtheid zelfs met goedheid.

De Grieken

In de tijd van Plato en Aristoteles (circa 500-300 voor Christus) werd de grondslag van het westerse denken gelegd. In Plato’s ideeënleer (het Griekse ‘eidos’ of ‘idea’ betekent beeld) is onze waarneming niet de werkelijkheid, maar is het oerbeeld van wat we waarnemen, het idee, de werkelijkheid. Dus niet het beeld van de koe in de wei, maar het idee van de koe in ons hoofd is de werkelijkheid. Studie van het materiële, natuurwetenschap, kan door zijn manier van denken dus ook slechts waarschijnlijkheid bereiken. Er bestaat een dualistische kloof tussen idee en materie. De menselijke ziel is volgens Plato verdeeld in denken, wil en begeerte. Alleen het denken, de geest vormt het onsterfelijke bestanddeel dat zich bij intrede in een lichaam met de overige delen verbindt. De onsterfelijke ziel heeft geen begin en geen einde en is van gelijke aard als de wereldziel. Al onze kennis is herinnering, afkomstig uit vroegere situaties en belichamingen van de ziel. Plato legt hier de link met zelfkennis: “Gezien het feit dat de hele natuur onderling verwant is en de ziel alles heeft meegemaakt, is er niets dat verhindert dat hij die maar aan een kleinigheid herinnerd wordt, iets dat bij de mensen leren heet, al het overige uit zichzelf vindt, mits hij moedig is en zonder rusten zoekt. Want het zoeken en leren is geheel en al herinnering.” Heeft Plato Oud-Indische wijsgerige gedachten gekend? Plato vindt dat het doel van de mens is om in het bezit te komen van het hoogste Goede, het einddoel van het heelal. Dit doet hij door zich boven de zinnelijke wereld te verheffen. Lichaam en zinlijkheid zijn de boeien die ons dit verhinderen. Of, zoals hij zegt: “het lichaam is het graf (van de ziel)”. Plato kent vier hoofddeugden, toestanden van de ziel die het doel benaderen: wijsheid (als deugd van de geest), dapperheid (als deugd van de wil), bezonnenheid (ofwel evenwicht tussen genot en ascese, strengheid en toegeeflijkheid en tussen platte vertrouwelijkheid en koele afstandelijkheid) en gerechtigheid, die alle andere deugden omvat. Omdat deugd alleen dan echte deugd is als zij is gebaseerd is op inzicht, is het verkrijgen van zelfinzicht een belangrijke bezigheid.

Aristoteles is de grondlegger van ‘bijna alles’: logica, natuurwetenschap, metafysica, ethiek, politiek, letterkunde en redenaarskunst. Hij was vooral gericht op het verzamelen en categoriseren van het bestaande en op streng logische bewijsvoering. In tegenstelling tot de dichterlijke en op het schone en ideale gerichte Plato. De nuchtere Aristoteles stelt dat de logos ons niet kan zeggen wat we moeten denken, maar alleen hoe. Denken kan alleen juist zijn als we werken met juiste begrippen. Definitie is dus erg belangrijk. In tegenstelling tot Plato stelt Aristoteles dat onze zintuigen ons de juiste kennis verschaffen. De verklaring der dingen zoekt Aristoteles in hun gerichtheid op een doel. De verhouding tussen ziel en lichaam is dezelfde als tussen stof en vorm: de ziel beweegt het lichaam, het lichaam is het werktuig (Grieks: organon) van de ziel. Aristoteles onderkent drie zielen: de voedende of plantenziel, de waarnemende of dierlijke ziel en de denkende of menselijke ziel. In de nieuwste psychologie keert deze gelaagdheid van de persoonlijkheid terug. Aristoteles stelt dat het door de diverse zintuigen samengevoegde beeld wordt verkregen door een apart ‘gemeenschappelijk zintuig’. Wat wij als verstand aanduiden, zetelt volgens Aristoteles in het hart. De geest is onsterfelijk en vergaat niet samen met het lichaam. Zoals voor elke Griek vindt Aristoteles dat geluk het hoogste goed is voor de mens. Volmaaktheid wordt verkregen door het volmaakt verrichten van de bezigheid. Omdat de mens in de eerste plaats een redelijk wezen is, betekent volmaaktheid voor hem de hoogste perfectie van de redelijkheid, de deugd. Daarbij moet de rede over zinlijke driften heersen (ethische deugd) en is het vervolmaken van de rede zelf de hoogste deugd.

Midden Oosten 

Centraal in de Bijbel staat dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Maar, je kan je naaste pas liefhebben als jezelf, als je weet hoe je van jezelf moet houden. En nog een stap terug: je kan van jezelf leren houden als je jezelf kent. Rond het jaar 0 houdt Jezus zijn leerlingen voor: “Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt en als hij vindt zal hij verontrust worden en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en dan zal hij koning zijn en rust vinden”. De zoektocht naar het ware zelf staat centraal in de gnosis. Zelfkennis wordt gezien als de ultieme bron tot kennis van het Al, van de Geest. Voorgaande tekst houdt in dat als je jezelf leert kennen, de kans groot is dat je schrikt van wat je tegen komt, wat vervolgens kan leiden tot het wegstoppen van de eigenschappen die we niet graag zien. Stijgt men uit boven het ‘zo ben ik nu eenmaal’, dan kan men zijn daden meer in overeenstemming gaan brengen met zijn wil, zo legt Slavenburg, één van de vertalers van de in 1945 gevonden Nag Hammadi-geschriften, uit. Kunnen we vrede sluiten met de mindere kanten van onze ziel, dan vormt de nieuw verworven kennis de sleutel tot innerlijke groei. Dit is het startpunt van de verandering die in gang is gezet en leidt tot verwondering over het nieuwe bewustzijn. De laatste stap, koning worden, kost veel tijd. Het is een lange weg om op een punt te komen dat je in staat bent om van jezelf te gaan houden. Jezus zegt verder volgens het Evangelie van Thomas: “Wie het Al denkt te kennen maar niet zichzelf, blijft volkomen in gebreke” en “Als jullie jezelf kennen zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen dan zullen jullie in armoede zijn; dan zijn jullie de armoede.” De wat wredere variant: “Als jullie verwerven wat in jezelf is zal wat je hebt je redden. Als je het niet in je hebt zal dat, wat je niet hebt, je doden.” Een paar fikse hints richting zelfreflectie dus. Net als in het oude India, China en de oude Grieken, wordt in de christelijke geschriften gewezen op de schoonheid van het kind: terug naar de essentie, puurheid, nog geen last van ego of prestatiedrang ten koste van anderen.

Zelfinzicht verwerven door teksten uit de Koran kan alleen door de Koran te lezen. Omdat de Koran voor de moslim het werk van Allah is, mag geen mens deze vrij interpreteren of er kritiek op leveren. De profeet Mohammed (570-632) wordt gezien als een profeet, net als een moslim Adam, Noach, Abraham, Mozes en Jezus als profeten ziet. Hij werd ‘de vertrouwenswaardige’ genoemd, omdat hij succesvol een religieuze strijd tot vrede bracht. Nadat daaropvolgende visioenen hem een schare volgers opleverden, moest hij Mekka verlaten, omdat vijandigheid ontstond bij mensen die zich door zijn boodschap -om zich aan de wil van God te onderwerpen- in hun levensstijl bedreigd zagen. Een soefi beoefent het Soefisme (Grieks sophia: wijsheid en Arabisch saf: reinheid) en wordt beschouwd als een islamitische mysticus. Met wijsheid wordt in het soefisme niet zozeer het vernuft bedoeld of de wens zoveel mogelijk te weten, maar eerder de wijsheid van het hart. Een soefi wil de Koran uit zijn hoofd kennen en ernaar leven, maar ook de innerlijke rijkdom ervan ontdekken, om zich daardoor beter over te kunnen geven aan God. Hij zoekt naar het directe beleven met God, dat hem leidt naar eenheid met God. Dankzij deze stroming is in de loop van de geschiedenis een vernieuwende invloed op de islam uitgeoefend, bijvoorbeeld dat er wordt nagedacht over God. De tekst “ik ben geworden wie ik liefheb (…) wij zijn twee geesten versmolten in één lichaam” (in de Oosterse wijsheden de gangbare beleving) werd echter niet geaccepteerd door islamitische heersers. Het soefisme kiest als uitgangspunt het bestrijden en overwinnen van het ego, de eigenmachtige drift. Dat kan worden bereikt door zingen en ritmisch dansen. Andere orden gebruiken yoga als techniek om het hoogste bewustzijn te bereiken. Beide methoden doen een beroep op het inzicht van de mensen.

Genoeg stof om over na te denken, lijkt mij zo.

Share this Post