Zelfinzicht door de jaren heen

Albert Einstein liet er geen misverstand over bestaan, wie nooit een glimp van het mysterieuze achter de dingen heeft ervaren is óf dood of op zijn minst blind, schreef hij in zijn geloofsbekentenis. Je ziet aan die geloofsbekentenis dat hij weet wie hij is en dat hij dankbaar is voor wat hij heeft. Dat hij als het ware lang heeft gemijmerd, bewust heeft stil gestaan bij het wezen van de mens, het wezen van de natuur en bij zichzelf.

Stil staan bij jezelf is niet vanzelfsprekend. Ik spreek in mijn werk veel mensen die getroffen zijn door een ernstige ziekte of groot verlies en het leven dan pas echt ontdekken. Doordat ze worden gedwongen om prioriteiten te stellen, om naar hun lichaam en hun hart te luisteren, om pas op de plaats te maken. Waardoor ze opeens zien wat echt belangrijk voor ze is. Liefde. Geborgenheid. Rust. De natuur. God. Een warme douche. Het kan van alles zijn. We zijn gewend om maar door te draven. Zoals Tom Egberts het na zijn hartinfarct mooi zei: “mijn werk is op dit moment met stip het minst belangrijke in mijn leven”.

Uit de oudste ons bekende geschriften blijkt dat zelfinzicht en zelfreflectie essentieel waren. Veel inzichten van toen zijn in ons huidige wereld- en mensbeeld verloren gegaan. Vooral omdat het verstand belangrijker wordt gevonden dan ons gevoel en onze intuïtie. Ook onze schoolsystemen zijn hierop ingericht. Einstein wilde deze beweging kenteren met uitspraken als “imagination is more important than knowledge” en “De intuïtieve geest is een godsgeschenk, het rationele verstand een dienaar. We hebben een maatschappij geschapen die de dienaar vereert en het geschenk is vergeten”. Om het ‘godsgeschenk’ te ervaren is het nodig om regelmatig even stil te staan. Vroeger was men zich daarvan meer bewust. Tegenwoordig zijn we veelal gericht op nieuws en feitjes. Weetjes die ons volgens Einstein blind maken voor de diepere lagen achter de oppervlakte.

Gnothi Seauton, Grieks voor ‘Ken Uzelve’, prijkte er boven de tempel van Apollo. Niet om goed te presteren, maar om de groei van de ziel te bevorderen, in het belang van een goede omgang met anderen en met het oog op het ordenen van de maatschappij. Hieronder vind je in enkele high-lights hoe zelfinzicht in verschillende delen van de wereld werd bevorderd. Zelfinzicht blijkt onlosmakelijk verbonden met spiritualiteit, ‘zaken die de geest betreffen’, gebaseerd op innerlijke ervaring. Zoals Cruijff zei: ‘je gaat het pas zien als je het door hebt’. Een wijze uitspraak.

India

Volgens één van de filosofieën van het oude India, de Upanishaden (750 – 500 voor Christus), krijgt men toegang tot het wezen van de wereld door diep in ons eigen innerlijk te kijken. Kennis van de uiterlijke werkelijkheid heeft voor hen geen waarde: de wereld van de dingen in ruimte en tijd is slechts een drogbeeld of illusie. Zij is Maya, zoals de Indiase uitdrukking luidt. De Upanishaden gaan (net als Einstein) uit van een alles doordringende geestelijke realiteit die zowel de natuur, het leven, het lichaam en de geest omvat.

De Upanishaden waren deels een geheime leer: ‘de waarheid is niet voor het verstand toegankelijk, is niet in woorden te vatten’ en is ook niet voor iedereen toegankelijk. De uitverkorene moest een lange weg bewandelen om haar te bereiken: vasten, zwijgen, rust, strenge concentratie, zelftucht. Daarbij de aandacht en de wil volkomen van de buitenwereld aftrekken. Op die manier wordt de geest in staat gesteld om, door alle ‘bedrieglijke omhulsels van Maya heen’, te komen tot de kern van het Zelf, het zogenaamde Atman. Zelfverloochening, afstand doen van succes en lust en zich bewust moeite en pijn opleggen speelde hierbij een rol als nergens anders in de wereld. Het inzicht kon in vier trappen, elk van ongeveer twintig jaar, worden bereikt. Een leven lang leren dus! In onze huidige maatschappij is deze weg van zelfinzicht, waarbij je je onttrekt aan het dagelijks leven, moeilijk in te passen. Maar we vinden tegenwoordig velen die door het beoefenen van bijvoorbeeld meditatie of yoga de tijd nemen om tot rust te komen.

China 

In het China van rond 600 voor Christus kende men de Tao als grondbeginsel en daarnaast de leer van Confucius. Confucius had geen van de wereld afgekeerd ideaal, maar bepleitte de verlichte, wereld en mens kennende en in alles de juiste maat houdende wijze mens. Deze wijze werd wijzer door voortdurende zelfopvoeding, door zedelijke ernst in alle situaties en door oprechtheid in de omgang met de medemens. Hij vergeldt goedheid met goedheid en kwaad met gerechtigheid. Hij vormt zijn eigen karakter en helpt anderen bij de vorming. Het uiterlijke en innerlijke zijn in evenwicht. De bekendste uitspraak van Confucius is: “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet!”. Hij eiste van bestuurders een onberispelijke levenswandel en benadrukte voortdurend de morele plichten. De kern van zijn leer, De Grote wetenschap, kort samengevat: om tot orde en welvaart te komen, moet iedereen, ieder individu, bij zichzelf beginnen, met het eigen innerlijk; daarbij geeft de regerend vorst het volk leiding door het winnen van vertrouwen en door de inspirerende kracht van zijn voorbeeld. Deze leer komt dicht in de buurt van de leer van Jezus Christus van het begin van onze jaartelling, als je kijkt naar diens uitspraken over het liefhebben van je naaste als jezelf.

Lao Tse had de Tao als grondbeginsel. Tao betekent ‘weg’ of ‘geest’ en is de in zichzelf onbegrijpelijke oergrond van de wereld. Omdat het Tao niet te begrijpen is, is de zekerheid van het niet-weten de hoogste kennis die we kunnen bereiken. Door vol overgave te proberen het Tao in de wetten van de natuur en de geschiedenis aan te voelen en tot richtsnoer van ons leven te maken, kunnen we het Tao wel ervaren. Dat veronderstelt volgens Lao Tse dat wij ons radicaal vrijmaken van alles dat ons afhoudt van de weg van het Tao, zodat we volop open gesteld staan voor het ene pad dat aarde en hemel beheerst, via het juiste midden. Dit houdt in dat de mens nooit vergeet dat hij voor het hogere leeft en niet voor zijn lust. De mens moet wel in de wereld staan en werken. De sleutel tot Tao is eenvoud: gewin, sluwheid, gekunsteldheid, zelfzucht en overmatige verlangens staan de volmaakte mens in de weg. Men komt tot rust en verlichting door stilte en toegewijde beschouwing van de natuur, zodat de edele mens ontstaat, die kiest voor zelfverloochening en zelfloosheid. Deze mens wordt volgens Lao Tse een voorbeeld voor de wereld: hij schittert door niet op de voorgrond te dringen, hij valt op door zich niet te doen laten gelden, hij komt tot aanzien door zichzelf niet te roemen en krijgt de eerste plaats door zich niet te verheffen. Waar Confucius kwaad met gerechtigheid beantwoordt, vergeldt Lao Tse slechtheid zelfs met goedheid. In de leer van Lao Tse herkennen we het Nieuw Testamentische toekeren van de andere wang.

De Grieken

In de tijd van Plato en Aristoteles (circa 500-300 voor Christus) werd de grondslag van het westerse denken gelegd. In Plato’s ideeënleer (het Griekse ‘eidos’ of ‘idea’ betekent beeld) is onze waarneming niet de werkelijkheid, maar is het oerbeeld van wat we waarnemen, het idee, de werkelijkheid. Dus niet het beeld van de koe in de wei, maar het idee van de koe in ons hoofd is de werkelijkheid. Studie van het materiële, de natuurwetenschap, kan door zijn manier van denken dus ook slechts waarschijnlijkheid bereiken. Er bestaat een kloof tussen idee en materie, die dualiteit wordt genoemd.

De menselijke ziel is volgens Plato verdeeld in denken, wil en begeerte. Alleen het denken, de geest vormt het onsterfelijke bestanddeel dat zich bij intrede in een lichaam met de overige delen verbindt. De onsterfelijke ziel heeft geen begin en geen einde en is van gelijke aard als de wereldziel. Al onze kennis is herinnering, afkomstig uit vroegere situaties en vroegere belichamingen van de ziel. Plato legt hier de link met zelfkennis: “Gezien het feit dat de hele natuur onderling verwant is en de ziel alles heeft meegemaakt, is er niets dat verhindert dat hij die maar aan een kleinigheid herinnerd wordt, iets dat bij de mensen leren heet, al het overige uit zichzelf vindt, mits hij moedig is en zonder rusten zoekt. Want het zoeken en leren is geheel en al herinnering.” Heeft Plato Oud-Indiase wijsgerige gedachten gekend of heeft hij net zo goed geluisterd naar zijn innerlijke wijsheid?

Plato ziet als doel van de mens het in bezit komen van het hoogste Goede, het einddoel van het heelal. Dit kan de mens bereiken door zich boven de zinnelijke wereld te verheffen. Lichaam en zinlijkheid zijn de boeien die ons dit verhinderen. Of, zoals hij zegt: “het lichaam is het graf (van de ziel)”. Plato kent vier hoofddeugden, toestanden van de ziel die het doel benaderen: wijsheid (als deugd van de geest), dapperheid (als deugd van de wil), bezonnenheid (ofwel evenwicht tussen genot en ascese, strengheid en toegeeflijkheid en tussen platte vertrouwelijkheid en koele afstandelijkheid) en gerechtigheid, die alle andere deugden omvat. Omdat volgens Plato deugd alleen echte deugd is als ze is gebaseerd op inzicht, is het verkrijgen van zelfinzicht een belangrijke bezigheid.

Aristoteles wordt wel gezien als de grondlegger van de logica, natuurwetenschap, metafysica, ethiek, politiek, letterkunde en redenaarskunst. Hij was vooral gericht op het verzamelen en categoriseren van het bestaande en op streng logische bewijsvoering. In tegenstelling tot de dichterlijke en op het schone en ideale gerichte Plato. Aristoteles stelt dat de logos ons niet kan zeggen wat we moeten denken, maar alleen hoe we moeten denken. Denken kan volgens hem alleen juist zijn als we werken met juiste begrippen. Definitie is dus erg belangrijk.

In tegenstelling tot Plato stelt Aristoteles dat onze zintuigen ons de juiste kennis verschaffen. De verklaring ‘hoe dingen werken’ zoekt Aristoteles in hun gerichtheid op een doel. De verhouding tussen ziel en lichaam is dezelfde als tussen stof en vorm: de ziel beweegt het lichaam, het lichaam is het werktuig (Grieks: organon) van de ziel. Aristoteles onderkent drie zielen: de voedende of plantenziel, de waarnemende of dierlijke ziel en de denkende of menselijke ziel. In de nieuwste psychologie en in de antroposofie van Rudolf Steiner keert deze gelaagdheid van de persoonlijkheid terug.

Aristoteles stelt dat het door de diverse zintuigen samengevoegde beeld wordt verkregen door een apart ‘gemeenschappelijk zintuig’. Wat wij als verstand aanduiden, zetelt volgens Aristoteles in het hart. Wat we in eigenlijk alle oude tradities vinden onderstreept ook Aristoteles: de geest is onsterfelijk en vergaat niet samen met het lichaam. Aristoteles vindt geluk het hoogste goed voor de mens. Volmaaktheid wordt verkregen door het volmaakt verrichten van een bezigheid. Omdat de mens in de eerste plaats een redelijk wezen is, is volmaaktheid voor Aristoteles de hoogste perfectie van de redelijkheid, de deugd. Daarbij moet de rede over zinnelijke driften heersen (ethische deugd) en is het vervolmaken van de rede zelf de hoogste deugd. Alleen uit deze redenering kun je al opmaken dat we hier een afslag nemen richting het voorop stellen van het verstand. In de tijd die we nu aanduiden als de Verlichting, waarin de verdere basis wordt gelegd voor de huidige maatschappij, wordt op deze rationele wijze van zelfinzicht voortgeborduurd. Doordat mens en wetenschap zich minder gingen richten op de ziel of geest en meer op het lichaam en het verstand, werd ons westerse mensbeeld als het ware uitgekleed.

Midden Oosten – jodendom en christendom 

Centraal in het Nieuwe Testament van de Bijbel staat je naaste liefhebben als jezelf. Daarvoor is nodig dat je weet hoe je van jezelf moet houden. Dit kun je leren door jezelf te doorgronden te accepteren. Vooral het Oude Testament, met de boeken van de Joodse Tenach, gaat nauwelijks in op het bewandelen van deze weg. Er staan zeker verhalen in die wijsheid in zich dragen, maar het Oude Testament steekt qua inzicht in de mens en in het wezen van de wereld eigenlijk schril af tegen de wijsheid zoals bekend uit de andere werelddelen. Hoe komt dat? De boeken van het Oude Testament laten niet in de laatste plaats zien hoe een steeds weer onderdrukt volk, deels in ballingschap, zoekt naar manieren om hoop te houden in een harde wereld. Hoe je anderen te slim af kunt zijn. Wat de mensen moeten doen om het welbehagen van hun God te verdienen en hoe hij zich zal wreken. Bij de hierboven genoemde wegen tot zelfinzicht bestaat er geen afhankelijkheid van een God. Deze gaan met name over je verhouden tot jezelf, het wezen van de wereld en de bezielde kosmos. Dat is een groot verschil en dat is ook te verklaren. Het is namelijk in de theologische wetenschap tegenwoordig algemeen aanvaard dat de teksten van het Oude Testament in de loop der eeuwen zijn aangepast aan de onderdrukkingen van het moment en dat grote delen zijn benut voor politieke doeleinden (zie Carr An introduction to the Old Testament). Door deze afhankelijkheidsreactie is een zuivere vorm van zelfinzicht en innerlijke ontwikkeling eigenlijk onmogelijk geworden. Het is als bij een kind met hechtingsproblemen. Er is geen sprake van onvoorwaardelijke liefde en acceptatie.

In het Nieuwe Testament wordt geschetst hoe je dichter bij je ware zelf en bij God kan komen en wat daaraan in de weg kan staan, maar veelal in versluierd taalgebruik. In een bepaald opzicht is er ook hier sprake van een afhankelijkheidsrelatie: door de weg van Jezus te volgen én door de uitstorting van de heilige geest wordt inzicht verkregen. Dit wordt voorafgegaan door de gang van Jezus Christus over de wereld en door zijn opstanding. Als we de Bijbel goed bestuderen is zelfreiniging is een belangrijke manier om tot zelfinzicht te komen. Ik plaats hierover later nog een apart artikel, in het bijzonder over Matteüs 23. En ook zal ik in aparte stukken ingaan op de Bijbelsymboliek in de levensweg van Jezus, die een weg van reiniging, zelfinzicht, inwijding en bewustwording betreft. Voor nu alleen de achterliggende boodschap van Matteüs 23 in het kort, waar Jezus wijst op het gevaar van leraren buiten jezelf. Om jezelf en God te vinden is het fijn als je goede richtingaanwijzers hebt, leiders die het goede voorbeeld geven. Jezus ziet de toenmalige Farizeeën en Schriftgeleerden als ‘blinde wegwijzers’ en ‘witgepleisterde graven’: van buiten lijkt het heel wat, maar van binnen onrein. Ze zitten als het ware aan het pluche van de macht geplakt. Hij noemt ze zelfs huichelaars, slangen en addergebroed in Matteüs 23.

De inhoudelijke boodschap van de Christelijke kerk raakte in de loop van de geschiedenis overschaduwd door (machts)misbruik, aflaathandel en kerksplitsing. Het is daarom niet zo vreemd dat de kern, het reinigen van jezelf om tot inzicht in jezelf en tot het Al te komen, vanaf de late middeleeuwen door geheime genootschappen werd doorgegeven en een ander jasje kreeg, zoals binnen de vrijmetselarij en bij de rozenkruizers, antroposofen en theosofen. Ook hierover schrijf ik later meer.

Midden Oosten – gnostiek 

Minder versluiering vinden we in zogenaamde gnostieke geschriften. Een verzameling teksten uit dezelfde tijd als de evangeliën, ook als christelijk te duiden, die innerlijke groei en zelfinzicht als doel hebben. Ze werden door de rooms-katholieke kerkelijke instantie als ‘ketters’ afgedaan en vanaf de vierde eeuw verboden. God wordt in deze geschriften niet (alleen) als een buiten jezelf staand wezen gezien, maar ook als een deel van jezelf. De mens is volgens gnostieke leringen dus een goddelijk wezen, die zich de eigen goddelijkheid weer kan herinneren door zichzelf te zuiveren. Jezus houdt zijn leerlingen rond het jaar nul voor: “Laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken, totdat hij vindt en als hij vindt zal hij verontrust worden en als hij verontrust is zal hij zich verwonderen en dan zal hij koning zijn en rust vinden”, zo lezen we in logion 2 van het gnostieke Evangelie van Thomas.

De zoektocht naar het ware zelf staat centraal in de gnosis. Zelfkennis wordt gezien als de ultieme bron tot kennis van het Al, van de Geest. Voorgaande tekst houdt in dat als je jezelf leert kennen, de kans groot is dat je schrikt van wat je tegen komt, wat vervolgens kan leiden tot het wegstoppen van de eigenschappen die we niet graag zien. Stijgt men uit boven het ‘zo ben ik nu eenmaal’, dan kan men zijn daden meer in overeenstemming gaan brengen met zijn wil, zo legt Jacob Slavenburg, één van de vertalers van de in 1945 gevonden Nag Hammadi-geschriften, uit. Kunnen we vrede sluiten met de minder mooie kanten van onze persoonlijkheid, dan vormt de nieuw verworven kennis de sleutel tot innerlijke groei. Dit is het startpunt van de verandering die in gang is gezet en leidt tot verwondering over het nieuwe bewustzijn. De laatste stap, koning worden, kost veel tijd. Het is een lange weg om op een punt te komen dat je in staat bent om werkelijk van jezelf te gaan houden.

Jezus zegt verder volgens het Evangelie van Thomas: “Wie het Al denkt te kennen maar niet zichzelf, blijft volkomen in gebreke” en “Als jullie jezelf kennen zullen jullie ook gekend worden en zullen jullie weten dat jullie zonen van de levende Vader zijn. Maar als jullie jezelf niet kennen dan zullen jullie in armoede zijn; dan zijn jullie de armoede.” De wat wredere variant: “Als jullie verwerven wat in jezelf is zal wat je hebt je redden. Als je het niet in je hebt zal dat, wat je niet hebt, je doden.” Een paar fikse hints richting zelfreflectie dus. Net als in het oude India, China en de oude Grieken, wordt in de christelijke geschriften gewezen op de schoonheid van het kind. Dit staat symbool voor terug gaan naar de essentie, naar puurheid, waar nog geen last is van ons ego of prestatiedrang ten koste van anderen.

Midden Oosten – Koran 

Zelfinzicht verwerven door teksten uit de Koran kan volgens moslims alleen door de Koran te lezen. Omdat de Koran voor de moslim het werk van Allah is, mag geen mens deze vrij interpreteren of er kritiek op leveren. De profeet Mohammed (570-632) wordt gezien als een profeet, net als een moslim Adam, Noach, Abraham, Mozes en Jezus als profeten ziet. Hij werd ‘de vertrouwenswaardige’ genoemd, omdat hij succesvol een religieuze strijd tot vrede bracht. Nadat daaropvolgende visioenen hem een schare volgers opleverden, moest hij Mekka verlaten, omdat vijandigheid ontstond bij mensen die zich door zijn boodschap -om zich aan de wil van God te onderwerpen- in hun levensstijl bedreigd zagen.

Er zijn ook aanhangers van de Koran die hun geloof op een andere manier beleven. Een soefi beoefent het Soefisme (Grieks sophia: wijsheid en Arabisch saf: reinheid) en wordt beschouwd als een islamitische mysticus. Mystiek (van het Griekse μυστικός, mystikos, ‘geheimzinnig’) betreft het streven naar een persoonlijke vereniging van de ziel met God. Het christendom kent ook diverse mystici. Met wijsheid, sophia, wordt in het soefisme niet zozeer het verstand bedoeld of de wens om zoveel mogelijk te weten, maar eerder de wijsheid van het hart. Een soefi wil de Koran uit zijn hoofd kennen en ernaar leven, maar ook de innerlijke rijkdom ervan ontdekken, om zich daardoor beter over te kunnen geven aan God. Hij zoekt naar het directe beleven met God, dat hem leidt naar eenheid met God. Dankzij deze stroming is in de loop van de geschiedenis een vernieuwende invloed op de islam uitgeoefend, bijvoorbeeld dat er wordt nagedacht over God. De tekst “ik ben geworden wie ik liefheb (…) wij zijn twee geesten versmolten in één lichaam” (in de Oosterse wijsheden de gangbare beleving) werd echter niet geaccepteerd door islamitische heersers. Het soefisme kiest als uitgangspunt het bestrijden en overwinnen van het ego, de eigenmachtige drift. Dat kan onder meer worden bereikt door zingen en ritmisch dansen. Andere orden gebruiken yoga als techniek om het hoogste bewustzijn te bereiken. Beide methoden doen een beroep op het inzicht van en in de mens.

Conclusie

Je ziet hierboven dat zelfinzicht verweven is met spiritualiteit. Zowel via zelfinzicht als via spiritualiteit wordt de essentie van het leven, het kenbare en onkenbare achter het leven, onderzocht. Het onkenbare dat Einstein aanduidt met ‘het mysterieuze’ of religiositeit en anderen als wezen, God, geest, ziel, verstand, onze natuur etc. al naar gelang de insteek die wordt gekozen. In essentie zoeken alle richtingen naar verdieping en inzicht.

Als we van jongs af aan vertrouwd zijn met zelfreflectie, het wezen van de mens en de mysteriën van leven en dood, zijn we beter in staat om ons te verhouden tot grote veranderingen in ons leven, zoals ziekte, verlies of dood. Sogyal Rinpoche schreef daarover in Het Tibetaanse boek van leven en sterven. En als we onszelf kennen, luisteren naar ons hart en weten waaruit ons wezen bestaat, zullen we vanzelf gezonde en liefdevolle keuzes maken. Wat zal de wereld er dan mooi uit zien.

————————————————————–

De high-lights hierboven zijn mede gebaseerd op het mooie boek van dr. Jan Bor Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie. Een aanrader.

Share this Post