Wie inspireerde Albert Einstein?

Bij de start van mijn zoektocht naar de diepere betekenis van het leven stuitte ik op een heel bijzondere tekst van Albert Einstein, zijn ‘credo’. Bij Einstein dacht ik aan abstracte wetenschap en intelligentie. Zijn filosofische en spirituele overtuigingen kende ik niet, maar na het lezen van die tekst werd me duidelijk waarom Einstein zich niet liet beperken tot bekend terrein en de gevestigde (rationele) uitgangspunten over waarheid en zichtbaarheid. Hieronder een tipje van de sluier. Hoe de man die bekend staat als slimste mens van de twintigste eeuw zijn hart en verstand in verbinding stelde en religiositeit ervaart.

In augustus 1932 schrijft Albert Einstein (1879-1955) zijn ‘Gelaubensbekenntnis’ of credo. In deze tekst zet hij uiteen hoe hij persoonlijk denkt over een aantal belangrijke thema’s, zoals geloof en de bedoeling van ons leven op aarde.

Einstein noemt in dit stuk één naam: Schopenhauer. Deze filosoof (1788-1860) heeft onder meer de Upanishaden, het Boeddhisme, Plato en Kant als inspiratiebron voor zijn visie over de oerwil en ons bestaan. Schopenhauer neemt de formule van de Veda “Tat tvam asi, Dit zijt gij!” als uitgangspunt voor het leven: scheidingen en tegenstellingen bestaan niet. Alles is één. Zoals de Hermetische teksten (teksten van Hermes Trismegistus) zeggen: “zo boven zo beneden”, wat je in de kosmos vindt, tref je ook in de mens en andersom. Alles is met alles verbonden. Schopenhauer vraagt daarom aandacht voor wereldbewustzijn, moraliteit. En Einstein ook.

Omdat hij doordrongen is van het feit dat alles met alles verbonden is, gelooft Einstein net als Schopenhauer niet dat de mens een vrije wil heeft: ‘Man can do what he wants, but he cannot will what he wills’. Deze verbondenheid zie je terug in Einsteins ontdekkingen en relativiteitstheorie en vormt een rode draad in Einsteins leven. Hij was een pacifist, trok zich het lot van de aarde erg aan en heeft zich intensief ingezet voor (wereld)vrede, voorafgaand, ten tijde van en na de Tweede Wereldoorlog. Einstein was een uitgesproken voorstander van een wereldmacht met vergaande bevoegdheden op het gebied van vrede en veiligheid. Hij weigerde het verzoek om de eerste premier van Israël te worden.

Bovendien koestert Einstein het mysterieuze als onderliggend principe van zowel religie als wetenschap: “The most beautiful and deepest experience a man can have is the sense of the mysterious. It is the underlying principle of religion as well as of all serious endeavour in art and science. He who never had this experience seems to me, if not dead, then at least blind. To sense that behind anything that can be experienced there is a something that our minds cannot grasp, whose beauty and sublimity reaches us only indirectly: this is religiousness. In this sense I am religious.”

Deze bewondering voor het mysterieuze en het onkenbare achter onze ervaringen sluit aan bij andere uitspraken van Einstein, zoals “imagination is more important than knowledge”. Ook doet zij denken aan het ‘geheime’ leven van Isaac Newton (1643-1727). Newton staat door zijn ontdekking van de wetten van de zwaartekracht en de klassieke mechanica in de lijst van de meest invloedrijke mensen in de geschiedenis ‘The 100′ gerangschikt als nummer 2: na Mohammed en voor Jezus Christus. Van Newton is echter bekend dat hij het grootste deel van zijn leven wijdde aan het bestuderen van alchemie, de chronologie van de bijbel, profetieën, de magie van natuurkrachten en -het grootste deel- aan het ontrafelen van Hermetische geheimen.

Toen ik startte met mijn zoektocht naar de diepere betekenis van het leven en het wezen van de mens heeft Einstein mij enorm geïnspireerd om verder te kijken dan mijn brein en ratio. En dat doet hij nog elke dag.

De volledige tekst van Einsteins geloofsbeschrijving:

My Credo

[Part I]
“It is a special blessing to belong among those who can and may devote their best energies to the contemplation and exploration of objective and timeless things. How happy and grateful I am for having been granted this blessing, which bestows upon one a large measure of independence from one’s personal fate and from the attitude of one’s contemporaries. Yet this independence must not inure us to the awareness of the duties that constantly bind us to the past, present and future of humankind at large.

Our situation on this earth seems strange. Every one of us appears here, involuntarily and uninvited, for a short stay, without knowing the why and the wherefore. In our daily lives we feel only that man is here for the sake of others, for those whom we love and for many other beings whose fate is connected with our own.

I am often troubled by the thought that my life is based to such a large extent on the work of my fellow human beings, and I am aware of my great indebtedness to them.

I do not believe in free will. Schopenhauer’s words: ‘Man can do what he wants, but he cannot will what he wills,’ accompany me in all situations throughout my life and reconcile me with the actions of others, even if they are rather painful to me. This awareness of the lack of free will keeps me from taking myself and my fellow men too seriously as acting and deciding individuals, and from losing my temper.

I have never coveted affluence and luxury and even despise them a good deal. My passion for social justice has often brought me into conflict with people, as has my aversion to any obligation and dependence I did not regard as absolutely necessary.

[Part 2]
I have a high regard for the individual and an insuperable distaste for violence and fanaticism. All these motives have made me a passionate pacifist and antimilitarist. I am against any chauvinism, even in the guise of mere patriotism.

Privileges based on position and property have always seemed to me unjust and pernicious, as does any exaggerated personality cult. I am an adherent of the ideal of democracy, although I know well the weaknesses of the democratic form of government. Social equality and economic protection of the individual have always seemed to me the important communal aims of the state.

Although I am a typical loner in daily life, my consciousness of belonging to the invisible community of those who strive for truth, beauty, and justice keeps me from feeling isolated.

The most beautiful and deepest experience a man can have is the sense of the mysterious. It is the underlying principle of religion as well as of all serious endeavour in art and science. He who never had this experience seems to me, if not dead, then at least blind. To sense that behind anything that can be experienced there is a something that our minds cannot grasp, whose beauty and sublimity reaches us only indirectly: this is religiousness. In this sense I am religious. To me it suffices to wonder at these secrets and to attempt humbly to grasp with my mind a mere image of the lofty structure of all there is.”

Einstein signature, 1932

Courtesy of the Albert Einstein Archives, Hebrew University of Jerusalem, Israel.

Wil je Einsteins oorspronkelijke Duitse tekst lezen? Kijk dan hier.

Share this Post