Op zoek naar bewust-zijn

Kosmologische overpeinzingen
Voor het vak ‘kosmologie’ schreef ik in 2016 een filosofisch essay over bewust-zijn. Je vraagt je misschien af wat kosmologie is. Volgens Wikipedia is kosmologie ‘de wetenschap die de globale structuur en de evolutie van het heelal bestudeert’. Zo zo, dat is een mond vol… Waarom krijg je dit vak in vredesnaam op een opleiding voor geestelijk begeleider? Dat zit zo. Als je door uitdagingen in het leven niet meer verder kan, kan het zijn dat je heel anders tegen dingen gaat aankijken. Ik moest zelf bijvoorbeeld alle waardevolle dingen in mijn leven loslaten, om het leven daarna ten volle aan te kunnen gaan. Dat leverde me een nieuwe persoonlijke kosmologie op. Een nieuwe kijk op het leven, een nieuwe kijk op wat er bestaat in het heelal.

In mijn zoektocht naar liefde en naar de zin van het leven, kwam betekenis geven aan ‘bewust-zijn’ steeds terug. Hieronder sta ik stil bij mijn persoonlijke ontdekkingen in dat kader. Ik doe dat in de vorm van een experiment met boeken van een paar grote schrijvers op het snijvlak van wetenschap en spiritualiteit. In mijn ‘oude leven’ zou ik bang zijn dat ik iets zou missen als ik de boeken niet van A tot Z lezen. In mijn nieuwe levensvisie vertrouw ik erop dat er precies dat op mijn pad komt, wat op dat moment het beste voor mij is. Ik sla de boeken dus op een willekeurige bladzijde open. Kijk maar wat dat voor een essay opleverde….

Een korte inleiding over bewust-zijn
Wat is bewust-zijn? Is het durée, zoals Henry Bergson stelde? De tijd die je ervaart en daarmee een andere tijd dan ‘klokkentijd’. Is bewust-zijn een onderdeel van tijd, maar dan de kwaliteit van de tijd? Tijd die niet onderhevig is aan verval, zoals materie? Voor mij heeft bewust-zijn te maken met de kwaliteit van de tijd. Een uitgangspunt dat vroeger meer een gegeven was dan nu. Toen men veel meer dan nu waarde hechtte aan de verbinding tussen de stand van de hemellichamen en de gebeurtenissen op aarde. Toen koffiedik kijken, de glazen bol en darmen lezen of het ontvangen van een teken misschien niet werden gelinkt aan een Akashaveld, -kroniek, of -ervaring. Toen men misschien niet sprak over het ‘het archief van de ziel’ (Linda Howe), ‘het kosmisch geheugenveld’ (Ervin Laszlo) of ‘de geheimen van de wereldontwikkeling’ (Rudolf Steiner). Maar toen men de kwaliteit van de tijd nog gewoon terugvond in het dagelijks leven.

Misschien zit daarin juist het verschil met nu. De kwaliteit van de tijd lijkt een tijdje kwijt geraakt. Of laat ik voor mezelf spreken, ik was de kwaliteit van de tijd zeker kwijt. Maar ook om mij heen zie ik dat mensen er tegenwoordig diep voor moeten graven om die kwaliteit te ervaren. Toch lijkt de aandacht ervoor weer terug te komen. Waarschijnlijk juist omdat deze kwaliteit van de tijd zo opvallend verschilt van de extreme haast die mij en vele anderen parten speelt in onze huidige maatschappij. Je maakt dan geen tijd om stil te staan bij de kwaliteit van de tijd.

Mijn zin hierboven klinkt heel raar, dat mensen er diep voor moeten graven om de kwaliteit van de tijd te ervaren. Maar dat is denk ik wel precies wat een eerste fase is, in bewustwording. Je gaat –al dan niet gedwongen omdat je bent geveld door ziekte of andere grote veranderingen- bewust tijd maken om de kwaliteit van het leven te ervaren. De donkere fase –je wordt terug gefloten- maakt dus dat je tijd gaat maken om licht en kwaliteit toe te laten in je leven. Het leven regelt dat prachtig vind ik. Al is het woord ‘regelt’ op deze plek weer stof tot spreken en zijn er alleen over de al of niet toevalligheid van de levensloop weer vele interessante uitgangspunten mogelijk.

Carl Jung noemt betekenisvol toeval ‘synchroniciteit’. Is deze term vergelijkbaar met ‘kwaliteit van tijd’ en een ‘toegenomen bewust-zijn’? Ik vind, als aanduiding voor fenomenen die gerelateerd zijn aan bewustzijnsverhoging, van wel. Niet alleen omdat voor mij hoogstaande auteurs als Jung, Steiner, Laszlo, McTaggart, Goswami, Mlodinow, Capra, Toulmin, Moolenburgh, Howe, Bos, Teule en Lloyd daarover betekenisvolle dingen over hebben geschreven. Maar toch vooral omdat ik zelf de afgelopen anderhalf jaar heb ervaren dat hoe meer ik leerde luisteren naar het leven, ik werd gedragen door het leven. Toch beschouw ik de drie gelijksoortige begrippen niet als gelijk. Er zat voor mij een persoonlijke volgorde in. Ik stond stil bij de kwaliteit van de tijd, daardoor groeide mijn bewust-zijn van de kwaliteit van de tijd en mijn bewust-zijn op zich. Door een toegenomen bewust-zijn was ik in staat om de signalen van het leven beter gewaar te worden. En door deze signalen te accepteren als behorend bij mijn leven, ervoer ik betekenisvol toeval, synchroniciteit, wat ik zie als behorend bij de stroom van het leven.

Het experiment
Hoe past het hierboven geschetste beeld van bewust-zijn en het ervaren van de kwaliteit van tijd in enkele bekende filosofieën? Het experiment gaat beginnen. Ik bespreek de kosmologische visie van enkele auteurs, zoals ik die in korte tijd heb meegekregen. Met ‘meegekregen’ bedoel ik dat ik een stapel boeken uit de kast heb gepakt en er op vertrouw dat ik deze zal open slaan op de bladzijden die voor dit tentamen relevant zijn. Hiermee experimenteer ik in hoeverre mijn overpeinzingen en die van mensen die er echt iets van weten, een overlap vinden door inmenging van de kosmos. Daar gaat ie…!

Steiner
Dr. Rudolf Steiner schrijft in zijn boek Akashakroniek (p. 120-122) over kosmologie in een zin die naadloos aansluit op bovenstaande overpeinzingen. “Alleen haarklovers willen uitzoeken wat er ‘helemaal in het begin’ van de wereld was, of ‘waarom God de wereld eigenlijk heeft geschapen?’ Voor de geestelijk onderzoeker gaat het er veeleer om te begrijpen dat men op een bepaalde trap van kennis zulke vragen helemaal niet meer stelt. Want binnen de geestelijke ervaring openbaart zich aan de mens alles wat hij nodig heeft voor het vervullen van zijn bestemming op onze planeet. Wie zich geduldig in de ervaringen van de geestelijk onderzoekers inwerkt, zal zien dat de mens voor alle vragen die voor hem nodig zijn, volledige bevrediging kan vinden binnen de grenzen van de geestelijke ervaring. (…) Er wordt hier absoluut niet bedoeld dat de mens over de hierboven genoemde vragen naar de ‘oorsprong van de wereld’ nooit uitsluitsel zou kunnen krijgen. Dat kan hij wèl. Maar om het te kunnen moet hij zich eerst de kennis eigen maken die zich binnen de dichtstbij liggende geestelijke ervaring openbaart. Dan gaat hij inzien dat deze vragen op een andere wijze moeten worden gesteld dan hij tot dusverre gedaan heeft. Hoe meer je je verdiept in de ware geesteswetenschap, hoe bescheidener je juist wordt. Dan zie je pas in hoe je je heel geleidelijk rijp en waardig moet maken voor het verwerven van bepaalde kennis. (…) Wanneer je een begin van inzicht verworven hebt, zie je hoe je aan het begin staat van een onmetelijk lange weg. Door weten ga je juist inzien ‘hoe weinig je weet’. En je krijgt ook gevoel voor de enorme verantwoording die je op je neemt wanneer je over bovenzinnelijke kennis spreekt. Maar zonder deze bovenzinnelijke kennis kan de mensheid niet leven. Wie echter dergelijke kennis verspreidt, heeft bescheidenheid nodig en waarachtige, echte zelfkritiek, een door niets te schokken streven naar zelfkennis en een uitermate grote voorzichtigheid. (…) Naast het uitzicht (…) op het verleden van de mens (…), zal uitzicht op de toekomst worden verkregen. Want voor een waarlijk geestelijk kennen kan de toekomst zich ontsluiten, ook al is dat slechts in de mate die voor de mens nodig is om zijn bestemming te kunnen vervullen. Wie zich niet met de geesteswetenschap wenst in te laten en vanaf de hoge rechterstoel van zijn vooroordelen alles wat van die kant komt, naar het land van fantasie en dromerij verwijst, zal deze verbinding met de toekomst nog het minst begrijpen. En toch zou een simpele, logische overweging begrijpelijk kunnen maken waar het hier om gaat. Alleen worden zulke logische overwegingen slechts geaksepteerd zolang ze overeenkomen met de vooroordelen van mensen. Vooroordelen zijn machtige vijanden ook van alle logika.”

Steiner vervolgt op pagina 220 – 222: “Okkulte en inwijdingswetenschappen zijn er altijd geweest. Zij werden in de zogeheten esoterische of inwijdingsscholen bedreven. Alleen hij kon iets daarvan meemaken die zich aan bepaalde beproevingen onderwierp. Er werd hem steeds slechts zoveel meegedeeld als bij zijn intellektuele, geestelijke en morele vermogens paste. Dat was nodig, want de hogere inzichten vormen, als ze op de juiste wijze worden gebruikt, de sleutel tot een macht die in handen van onvoorbereide personen tot misbruik moet leiden. Door de geesteswetenschap zijn nu enkele, elementaire leerinhouden van de okkulte wetenschap gepopulariseerd. De reden daartoe is gelegen in de huidige tijdsomstandigheden. Tegenwoordig is de mensheid in de individuen die zich verder hebben ontwikkeld, wat betreft de ontwikkeling van het verstand zo ver dat zij vroeg of laat van zelf tot bepaalde voorstellingen zou komen die vroeger onderdeel waren van het okkulte weten. Alleen zouden zij zich deze voorstellingen in een bedorven, karikaturale en schadelijke vorm eigen maken. Daarom hebben ingewijden in de geheimen besloten, een deel van het esoterische weten aan de openbaarheid mee te delen. Daardoor is de mogelijkheid ontstaan de in de kultuurontwikkeling optredende menselijke vooruitgang te meten met de maatstaf van ware wijsheid. Ons inzicht in de natuur leidt bijvoorbeeld tot vooronderstellingen over de grondslag van de dingen. Maar zonder geesteswetenschappelijke verdieping kunnen deze voorstellingen alleen maar tot karikaturen worden. (…) Het gaat er niet om, de inhouden van de geesteswetenschap verstandelijk te beheersen, maar het gevoel, de gewaarwording, ja het hele leven ermee te doordringen. Alleen door zo’n doordringen ervaar je ook iets van het waarheidsgehalte van de inhouden van geesteswetenschap. Anders blijven deze inhouden toch maar iets wat ‘men geloven kan of niet’. Als ze op de juiste wijze worden begrepen, zullen de geesteswetenschappelijke waarheden de mens een waarachtige levensbasis geven om zijn waarde, zijn waardigheid en zijn wezen te leren kennen, en de hoogste vorm van levensmoed geven. Want deze inhouden verklaren hem zijn verband met de wereld om hem heen; ze wijzen hem op zijn hoogste doelen, op zijn ware bestemming. En dat doen ze op een manier die bij de eisen van deze tijd past, zodat hij niet gevangen hoeft te blijven in het dilemma tussen geloven en weten. Men kan tegelijkertijd moderne wetenschapper en geesteswetenschapper zijn. Wel moet men dan beide ook in de ware zin zijn.”

Jung
Deze uitleg van Steiner over de aard van geesteswetenschappelijk schouwen sluit naar mijn idee mooi aan bij een uitspraak van Jung: “I shall not commit the fashionable stupidity of regarding everything I cannot explain as a fraud.” Een zin die ik ook beschouw als een ombuiging van zijn angst om niet serieus te worden genomen met zijn onderzoek naar synchroniciteit, betekenisvol toeval. En zijn wens om voor vol te worden aangezien. Maar in mijn interpretatie schuilt dan weer de mogelijkheid van projectie van mijn eigen angst om mijn nieuw opgedane kennis en ervaringen in te passen in mijn leven en werk.

In zijn boek Synchroniciteit stelt Jung op p. 67-69: “Het vatten van de totaliteit is vanzelfsprekend ook het doel van de natuurwetenschappen. Maar dat doel ligt noodzakelijk op grote afstand, doordat de natuurwetenschappen waar mogelijk proefondervindelijk, en in elk geval statistisch te werk gaan. Het experiment bestaat echter uit een bepaalde vraagstelling, die alles wat stoort en er niet in thuishoort zoveel mogelijk buitensluit. Het stelt voorwaarden, legt die op aan de natuur en noopt haar op deze manier een op de vraag van de mens toegesneden antwoord te geven. Het wordt haar daarbij verhinderd te antwoorden vanuit de volheid van haar mogelijkheden, doordat die voorzover dat doenlijk is worden ingeperkt. Daartoe wordt in het laboratorium een kunstmatig tot de vraag beperkende situatie geschapen, die de natuur dwingt een zo eenduidig mogelijk antwoord te geven. Het beschikken van de natuur zoals in haar onbeperkte totaliteit is daarbij volledig uitgesloten. Maar om dit te leren kennen hebben we een vraagstelling nodig die zo min mogelijk of zo mogelijk helemaal geen voorwaarden stelt en het daardoor aan de natuur overlaat om vanuit haar volheid te antwoorden. (…) Al in de twaalfde eeuw voor onze jaartelling hebben twee Chinese wijzen getracht dit euvel te verhelpen door, zich baserend op de hypothese dat alles in de natuur één is, te proberen de gelijktijdigheid van een psychische toestand en een fysiek gebeuren te verklaren als zingelijkheid. Met andere woorden: ze namen aan dat hetzelfde zijn zich zowel in de psychische als in de fysieke toestand uitdrukte. (…) Zo bedachten de twee wijzen een methode hoe een innerlijke toestand als een uiterlijke kon worden voorgesteld, en vice versa. Daarvoor was natuurlijk (intuïtieve) kennis van de betekenis van de orakelfiguur op een bepaald moment nodig. De I Ching bestaat daartoe uit een verzameling van 64 duidingen, waarin de betekenis van elk der 64 mogelijke yang-yin combinaties is uitgewerkt. Die duidingen formuleren het innerlijke onbewuste weten dat met de bewustzijnstoestand van dat moment samenvalt. (…) De methode is, zoals alle mantische, dat wil zeggen intuïtieve tenchieken, gebaseerd op het principe van de acausale verbondenheid of synchronistische samenhang. Bij de praktische uitvoering van het experiment gebeuren er inderdaad talrijke en voor iemand die niet vooringenomen is verhelderende dingen, die men rationeel en met enig geweld alleen kan verklaren als projecties. Maar neemt men aan dat ze werkelijk zijn wat ze lijken te zijn, dan gaat het om zinvolle coïncidenties, waarvoor naar ons weten geen causale verklaring is.”

Moolenburgh
Hans Moolenburgh geeft in het naar mijn mening heerlijke boekje Is toeval echt toevallig? Een blik in de keuken van de schepping niet alleen fantastische voorbeelden van synchroniciteit, en het bewust stil staan bij de kwaliteit van de tijd, maar geeft ook zijn visie op de verhouding van betekenisvol toeval tot moderne wetenschap. Ik sla p. 44 open waar hij stelt: “Alhoewel er niets tegen strikte wetenschap bestaat, is de dominantie van het 19e-eeuwse model die nog steeds bestaat te eenzijdig. Alles berust op herhaalbare experimenten, protocollen, statistieken, dubbelblinde proeven, enzovoort. Dit geeft een tunnelvisie, want je kunt er wel een man mee naar de maan sturen, maar verschijnselen als het toeval, wonderen, visioenen, spontane genezingen, het hele gebied van het wonderbaarlijke, vallen daarmee buiten de boot.” En vervolgens somt hij enkele wetten op waar we volgens hem mee te maken hebben: Ten eerste fysieke wetten, zoals de wet van de zwaartekracht of het behoud van energie. Dan geestelijke wetten, die te maken hebben met de ziel. Deze worden geopenbaard. Hij noemt de tien geboden. En als derde onderscheid Moolenburgh niet-lineaire wetten, die tussen de materiële en de geestelijke wetten in staan. Deze hangen samen met de quantummechanica, “waarin een subatomair deeltje zowel een deeltje als een golf kan zijn, waar de tijd achteruit kan lopen en waar het gevolg vóór de oorzaak ligt.”.

Ik twijfel om nog een bladzijde open te slaan, maar ik doe het toch. Een heel andersoortig prachtig stuk kosmologie pik ik uit hetzelfde boek van Moolenburgh op pagina 117 -123. Daar verklaart hij aan de hand van Psalm 22:19 –“Zij verdelen mijn kleding onder elkaar en werpen het lot over mijn mantel.”- dat de tekst, geschreven door koning David, ongeveer 1000 voor Christus, een profetie is over de lijdende Christus en tegelijk symbool staat voor de ommekeer in het denken van een wereldreligie van opstanding naar kruis. Moolenburgh leest ‘mantel’, levoeshi in het Hebreeuws, als ‘een schitterend kledingstuk’. In de Hebreeuwse leer is het kledingstuk dat de mens omgeeft zijn lichaam. Bij de schepping kwam de mens letterlijk in zijn vel –en niet in dierenvellen, zoals de nieuwe vertaling aangeeft. Moolenburgh ziet de opstanding vrij vertaald als een omgekeerde beweging: “Zijn aardse lichaam was veranderd in iets wat voordien nooit bestaan had, een glorieus opstandingslichaam. Elk atoom van zijn vergankelijke lichaam was veranderd in een onvergankelijke substantie. Het graf was dan ook leeg. Het was de eerste nieuwe scheppingsdaad sinds de schepping werd afgesloten in Genesis 1. Voortaan was deze opgestane de verzoener, de middelaar tussen God en de mensen, de vergeving der zonden en hij die het eeuwige leven schenkt. Dit geloven de christenen.” De opstanding werd het centrum van het christelijke geloof en de mensen werden hierom vervolgd. Moolenburgh spreekt van een ramp, geestelijk gesproken, dat Constantijn vanuit Rome het christendom vrij verklaarde en zich tot staatsgodsdienst ontwikkelde. Door het machtsprincipe, het huwelijk tussen de nieuwe kerk en de oude Romeinse macht, verwereldlijkte de christelijke kerk. Dit bleek de start voor vervolging en doding op enorme schaal. De machtspolitiek veranderde het kernpunt van het geloof van de opstanding naar het kruis, met daaraan het gemartelde lichaam van Christus. De metafoor is dus: de Romeinse soldaten hadden een dood lichaam (het oude kledingstuk) als centrum van de belangstelling genomen en erop gegokt daar beter van te worden, en uiteindelijk alleen maar gespeeld, alsof zij het lichaam waren, dat zij christenen waren. Maar Moolenburgh gaat ervan uit dat de ‘ijzeren Romeinse ballingschap’ in onze dagen het hoogtepunt heeft bereikt en weldra zal aflopen. Moolenburgh verklaart het afkalven van de kerk door het feit dat mensen weer rechtstreeks contact met de hemel willen. Hoewel Moolenburgh op het gebied van betekenisvol toeval op hoofdlijnen aanhaakt bij Jung, zie ik hierin een directe parallel met Steiner. Moolenburgh wijst erop dat mensen vaak niet waarnemen dat wat zij vragen aan de hemel ook daadwerkelijk verkregen wordt. Hij heeft uit ervaring geleerd dat geen enkel gebed dat uit het hart komt verloren gaat en dat dit “ver superieur is boven uurhoeken, I Tjing en Tarot”.

Hoewel dit stuk een beeld geeft over een manier van kijken naar het leven en naar religie en in dat opzicht wellicht kosmologisch is, vermoed ik dat mijn nieuwsgierigheid naar het leven en sterven van Jezus er bij het tweede keer openslaan van het boek meer doorheen kwam dan de relevantie voor dit tentamen. Maar dat terzijde 😉

Het vervolg
Voor me liggen nog stapels boeken. En het aantal pagina’s voor deze tekst is eigenlijk al gevuld. Omdat ik een aantal lange citaten heb neergezet, besluit ik nog even door te gaan, om de verscheidenheid aan kosmologische beelden niet tekort te doen. Ik zal stoppen wanneer ik voel dat het echt klaar is. Wat er steeds tussendoor rommelt, is het zinnetje dat ik op Wikipedia las over de discussie tussen Bergson en Einstein. Einstein ligt namelijk niet op mijn stapels en Bergson evenmin, maar die heeft het wel geschopt tot eerste zin van mijn tentamen. Ik wacht even af welke ingeving ik in de verdere loop van dit experiment krijg over Einstein.

Howe en Einstein
Hoewel Linda Howe geen Nobelprijswinnaar is, maar haar boek wel een enorm interessante titel heeft, sla ik dit boek, De Akasha Kronieken, open op pagina 110. Mijn oog valt op: “Ieder atomisch Lichtpunt is op de juiste plaats nuttig, en het Akasha-Licht zorgt er bij de energiedistributie voor dat die op de juiste plek in het universum terechtkomt.”. Als ik google op Einstein en Akasha open ik het eerste het beste stukje uit 2006 waarin staat: “Het concept van het nulpuntveld (nulpuntenergieveld) komt o.a. uit de kwantumfysica (fysica op subatomair gebied) en kwantummechanica (met o.a. Albert Einstein, Niels Bohr, David Bohm). Het Nulpuntveld is een fundamenteel veld dat alles met alles verbindt en samenhang schept: in de kosmos, in de wereld van de levende organismen en zelfs in het domein van de geest en het bewustzijn – Ervin Laszlo in zijn boek ‘Bezielde Kosmos’.” Best scherp van de kosmos en de bijdrage van Einstein aan het geheel is in ere hersteld.

Laszlo
De volgorde van boeken die ik nog wil bespreken van mijn stapel wordt nu meteen bepaald: ik ga eerst kijken in de boeken van Laszlo. Het boek waar op Google naar verwezen wordt heb ik niet, maar ik heb wel De Akasha ervaring, Kosmos, Kwantumshift in het wereldbrein en Kosmische Visie. Ik besluit te starten met Kosmische visie. Als ik het boek open sla op pagina 70 lees ik feitelijk een samenvatting van boek van Fritjof Capra, Het Keerpunt. Die heb ik lang niet helemaal gelezen, maar dat voelt zo. Dus dat boek kan meteen ook van mijn stapel. De paragraaf heet: Waar komt het universum vandaan? Omdat ik dit stuk een prachtige historische samenvatting van kosmische visies vind, neem ik het integraal over: “Nooit zijn mensen opgehouden zich het hoofd te breken over de oorsprong en eindbestemming van de wereld. De vroegste antwoorden waren ingebed in een mystiek wereldbeeld, gevolgd door dat van de grote religies. Met betrekking tot de concepten van oorsprong en eindbestemming vertonen de klassieke visies van Oost en West opmerkelijk veel overeenkomst: zij stelden zich de oorsprong van het universum voor als een overweldigend proces van zelfschepping. Echter, met de opkomst van de monotheïstische religies in het Westen verving het scheppingsverhaal uit het Oude Testament geleidelijk vrijwel alle mystieke en metafysische verklaringen. Sinds het begin van de Middeleeuwen geloofden christenen, moslims en joden dat een almachtige God de hemel boven en de aarde beneden had geschapen, en dat alle dingen tussen die hemel en aarde een doel en betekenis hebben zoals ze zijn. In de 19e eeuw kwam dit joods-christelijke scheppingsverhaal echter in botsing met de theorieën van de moderne wetenschap, met name met de darwinistische biologie. Er ontstond een schril contrast tussen enerzijds de mening dat alles wat we zien en ervaren doelbewust door een goddelijke macht was geschapen, en anderzijds het concept dat leert dat levensvormen zelfstandig evolueren vanuit een eenvoudiger, gemeenschappelijke oorsprong. Dit geschil leverde de brandstof voor eindeloze disputen die tot op de huidige dag voortleven in de controverse rond de leer van de ‘creationistische’ en de ‘evolutionistische’ theorieën. Sinds de jaren dertig van de 20e eeuw botste het joods-christelijke scheppingsverhaal niet alleen met de darwinistische doctrine van een biologische evolutie, maar ook met de theorieën van de fysische kosmologie. Newtons uurwerkuniversum vereiste een goddelijke Beweger om deze klok op te winden en in gang te zetten, een taak die werd toegeschreven aan een Schepper. Later kon Einsteins universum-in-stabiele-toestand het zonder zo’n Beweger stellen, aangezien het sinds het oerbegin van de tijd was blijven voortbestaan zoals het nu nog is. Toen echter Einsteins stabiele universum werd verdrongen door het explosief expanderende universum van de oerknaltheorie, stak de vraag naar de oorsprong van alles opnieuw de kop op. Indien het universum werkelijk 13,7 miljard jaar geleden is ontstaan uit een oerknal en het ongeveer over tweeduizend miljard jaar zal eindigen in een eindimplosie, of in de verdamping van de laatste (spiraalnevel-grote) zwarte gaten over de welhaast onvoorstelbare tijdsspanne van 10 tot de 122ste macht jaar, dringt zich opnieuw die vraag aan ons op: Wat was er voordat dit alles is begonnen en wat zal er zijn nadat het voorbij is?”

Club van Boedapest
Op pagina 136 van Kwantumshift zie ik een opsomming van de lijst van ereleden van de Club van Boedapest. Wat opvalt is het bonte gezelschap: van de Dalai Lama tot Jane Goodall, van Paolo Coelho tot Mikhail Gorbatsjov. Niet de minste mensen hebben zich verenigd om hun visie op de veranderende wereld en hoe daarmee om te gaan, te delen. Op pagina 138 staat een tekst die in 1996 is overgenomen door deze Club. Ik licht de eerste regels die ik lees eruit. Het blijkt een tekst te zijn die ik als schokkend en opluchtend ervaar. Schokkend omdat grote namen zo’n grote verandering zien en opluchtend omdat grote namen zo’n grote verandering zien. Er staat: “In de laatste jaren van de 20e eeuw hebben we een cruciale tweesprong in onze geschiedenis bereikt. We bevinden ons op de drempel van een nieuw stadium van sociale, spirituele en culturele revolutie, een stadium dat even sterk verschilt van het stadium uit de eerder decennia van de 20e eeuw als de latere weidegronden van de grotten van holbewoners, of de gevestigde dorpen van landbouwers van het zwevende bestaan van nomadenstammen. We evolueren momenteel vanuit de nationale industriële samenlevingen die ontstonden bij de dageraad van de Eerste Industriële Revolutie naar een op informatie gebaseerd sociaal-economisch en cultureel systeem dat de gehele wereld omspant en waarin alles met alles samenhangt. Het pad dat deze evolutie volgt is niet bepaald effen, maar vol verrassingen en schokkende gebeurtenissen. De 20e eeuw is getuige geweest van meerdere grote schokgolven en er staan er ons binnen afzienbare tijd nog meer te wachten. De manier waarop we de huidige en toekomstige schokken het hoofd bieden, zal bepalend zijn voor onze eigen toekomst en die van onze kinderen en kindskinderen.”

Geestverschijningen
De angst die ik richting onze docent dr. Hein van Dongen uitsprak tijdens de collegereeks, dat er actie moet worden genomen om de parapsychologische denkbeelden door te geven, omdat de docenten die ze kunnen doorgeven mogelijk anders ‘uitsterven’, werd door de volgende ‘greep’ een stukje minder. Op pagina 163 stuitte ik op een uitwerking van experimenten, waarbij geestverschijningen zijn waargenomen op ‘toestellen die zich leven voor ITC’. Ik dacht: als het blijkbaar acceptabel is voor mensen van deze stature om over dergelijke zaken na te denken, dan moet het wel gek lopen wil deze denktrend niet ergens een vervolg krijgen. Maar, mijn volgende gedachte is: waar zien we dat dan in terug?? Ik besluit nog een keer dit ‘orakel’ te raadplegen. Op p. 175 sla ik open en lees: “We hebben hier de basis voor een overtuigende verklaring voor het behoud van informatie in het kosmisch plenum. De volgende stap bestaat erin te ontdekken hoe deze geconserveerde informatie in staat is zich autonoom verder te ontwikkelen. Dit is de stap die nog moet worden gezet en het is een moeilijke, maar niet onmogelijke taak. Gelet op de theoretische middelen, de wiskunde en de elektronische simulatiemodellen die ons ter beschikking staan, hoeft het niet onmogelijk te zijn te ontdekken hoe complexe sets van coherente bestanddelen in een complex veld dat rijk is aan informatie kunnen functioneren met een mate van autonomie die het creëren van nieuwe informatie mogelijk maakt op basis van de reeds voorhanden zijnde informatie. De logische plaats om naar een wetenschappelijke verklaring te zoeken voor het mysterie van transcommunicatie te zoeken, is niet de metafysica van zielen en geesten, maar gewoon de fysica van de complexe-veldtheorie.” Ik ben er niet gerust op. Dan valt mijn laatste oogopslag in dit boek op de zin: “Gustav Fechner, de pragmatische grondlegger van allerlei experimentele methoden in de psychologie, ontvouwde een overeenkomstige hypothese. ‘Als er iemand sterft (…) is dat alsof er een oog van de wereld wordt gesloten, want alle perceptieve bijdragen vanuit die hoek houden op. Echter, de herinneringen en conceptuele relaties die zich rondom de waarnemingen van die persoon hebben gesponnen, blijven in het grotere geheel van het aardse leven even herkenbaar als altijd; ze vormen zelfs nieuwe relaties en groeien en ontwikkelen zich verder in de toekomst, net zoals onze eigen herkenbare gedachteobjecten, als ze eenmaal in het geheugen zijn opgeslagen, gedurende heel ons eindige leven steeds nieuwe relaties vormen en zich blijven ontwikkelen.’.”

Als ik verder lees over twee hypotheses voor de actieve aanwezigheid van een bewustzijn dat niet meer verbonden is met levende hersenen in het kosmisch plenum, stuit ik op een grote overeenkomst die ik vermoed met circa vijftig andere boeken die ik pas heb gekocht (maar nog niet gelezen) over mediumschap, engelen, bijna-doodervaringen en spirituele geneeskunde. Voor de één misschien een aanmoediging om er nog eens verder in te duiken, maar voor mij op dit moment een signaal om te gaan afronden. Botsende wereldbeelden, Kosmopolis, Kosmos, Akasha ervaring, Hoe de stof de geest kreeg, Mijn brein denkt niet ik wel, Wat Darwin niet kon weten, Wat is er in hemelsnaam gebeurd, Ontdek en creëer zelf het universum, het Visionaire Venster en The Field gaan weer de kast in. De schijnbare tegenstelling die ik eerder tussen de diverse typen door mij aangeschafte boeken constateerde (wie is er nou in zoveel verschillende dingen geïnteresseerd?) is omgebogen in begrip: alles is met alles verbonden!

Retro-actieve causaliteit
Nu ben ik getriggerd om verder terug te lezen. Ik moet denken aan de grootste hersenkraker van de gevolgde collegereeks over kosmologie, die van de retro-actieve causaliteit. Omdat ik het slot van dit boek lees waar ik vraagtekens bij stel, wil ik iets lezen, wat eerdere op papier is gezet. Oorspronkelijk was het slot het gevolg van de experimenten, de oorzaak. Maar voor mij is het gevolg de oorzaak dat ik de experimenten wil lezen en zijn de experimenten het gevolg van de door het slot gewekte nieuwsgierigheid. Het zal ongetwijfeld niet zo simpel liggen. Maar het is onderdeel van mijn experiment, waarin ik opschrijf wat ik (tijdsvolgordelijk en al dan niet toevallig) waarneem en verbind.

Evaluatie van het experiment
Tot slot een korte evaluatie van het experiment. Het was in eerste instantie niet de bedoeling om op deze manier een stuk te schrijven. Het ontstond gaandeweg. Het mooie van deze manier van schrijven is dat blijkbaar een samenhang kan ontstaan uit schijnbaar toevallige openingen. Ik wil altijd dat de energie en de inhoud van hetgeen ik heb opgeschreven meteen helemaal beklijft. Maar voor mijn gevoel is een deel ‘door me heen gegaan’. Of, zoals gebeurt als ik mijn slaapkamerplant te snel water geef, het water loopt door de aarde in de pot en blijft niet hangen in de aarde. Maar als ik het in kleine beetjes aan de plant geef, neemt hij al het water op. Dat gaan we de volgende keer weer doen. Stapje voor stapje, als de Tijd er rijp voor is…

Share this Post