Bestaat dé Bijbel?

Die vraag houdt al vele eeuwen vele mensen bezig. De conclusie van het Amerikaanse Jesus-seminar (een gezelschap van prominente Amerikaanse bijbelgeleerden, waarbij ook filmregisseur Paul Verhoeven vanaf 1986 aanwezig was [1]) is dat men niet kan spreken van bijbel, omdat de teksten daarin in de loop der eeuwen zijn veranderd. Het seminar stelde na jarenlange discussies vast dat de authenticiteit van Jezus’ woorden in de evangeliën op 18% ligt, terwijl 82% hem door latere bewerkers in de mond is gelegd.[2] Toch doen vele auteurs een poging om de gestalte of het wezen Jezus Christus en zijn boodschap te duiden op basis van deze teksten. Hieronder bespreek ik denkbeelden over Christus en de Bijbel van Rudolf Steiner, Meister Eckhart, Johan Pameijer, Anne Marie Wegh, Jacob Slavenburg, Thomas a Kempis, Joseph Ratzinger (oftewel paus Benedictus XXI) en Paul Verhoeven.

Rudolf Steiner focust op de liefde en het beleven van de Christusimpuls, en daarmee het goddelijke, in het hart. Zijn visie vindt men onder meer terug in de mystiek. Zo stelt Meister Eckhart (Eckhart van Hochheim, 1260-1328): “De hemelse Vader baart zijn eniggeboren zoon in zichzelf en in mij. Waarom in zichzelf en in mij? Ik ben één met hem; hij kan zich niet uitsluiten. In hetzelfde werk ontvangt de Heilige Geest zijn wezen, wordt hij van mij evenals van God. Waarom? Ik ben in God, en neemt de Heilige Geest zijn wezen niet van mij, dan neemt hij het ook niet van God. Ik ben op geen enkele wijze uitgesloten.”[3] Steiner en Eckhart gaan ervan uit dat de mens door een ontwikkeling van zijn/haar ziel kan beleven wat in vroeger tijden in de mysteriën werd beleefd. En ze benadrukken beiden de aanwezigheid van het goddelijke in de mens. Zoals Eckhart het noemt: de Godsgeboorte in de ziel.

Door de tekst van de evangeliën letterlijk te nemen, bijvoorbeeld in het evangelie van Lucas, kan men de veranderingen van de mensheid bevatten. Steiner ziet het als een misverstand van het moderne evangelieonderzoek dat men daarin een uiterlijke biografie van Jezus van Nazareth wil vinden. Hij stelt dat de schrijvers in de evangeliën hebben willen weergeven wat de menselijke ziel op weg kan helpen om werkelijk die Grote Ziel, Christus, God, lief te hebben als de oorsprong van het wereldbestaan. De evangeliën waren dus wegen, geschriften waarlangs de ziel Christus kon vinden, inspiratieboeken, inwijdingsboeken.[4] In zijn boek ‘De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid’ gaat hij hier verder op in.

Waar Steiner dit geluid in het begin van de twintigste eeuw laat horen, vinden we een gelijkluidende visie in de hedendaagse (populaire) literatuur bij Johan Pameijer (enkele jaren terug overleden). Pameijer ziet het als onze opdracht om in de 21ste eeuw ‘de mythe van Christus’ te voltooien. Hij zoekt, zoals hij zelf zegt net als de gnostici, geen Christus aan het kruishout, maar een Christus in het hart van ieder mens. Daar vindt ook de wederkomst op aarde plaats. Hij stelt dat het evangelie van Philippus een schakel vormt tussen de mysteriewijsheid en de sacramentele eredienst: “wie de Naam verwerft is niet langer een christen maar een Christus”. Net als Steiner ziet hij in de evangeliën en mysteriereligies een leerschool tot bewustwording van de enorme potentiële vermogens die in de mens sluimeren. Wie er door immens zware innerlijke training in slaagde tot zijn eigen wezenskern door te dringen, kreeg de mysterienaam ‘Chrestos’.[5] Ik heb een door Pameijer gesigneerd boek, waarin hij op 11 november 2002 met balpen schrijft: ‘Door de warmte van de liefde, vindt de ziel zichzelf – Keltische mystiek.’

Anne-Marie Wegh (die tegenwoordig retraites verzorgt), onderzoekt de symboliek, de beeldtaal, van de bijbel. Zij noemt de bijbel een ‘handleiding tot spiritueel ontwaken’ en trekt –net als Pameijer[6]– een parallel met kundalini-ontwaken: het ontsluiten van de zeven chakra’s. Wegh schetst het beeld van deze energiecentra, die worden gezuiverd om het goddelijke licht ongehinderd door te laten. Daarbij wordt het energiecentrum van het ‘derde oog’ geopend, zodat de tegenstellingen van de dualiteit plaats maken voor innerlijke eenheid. Het mannelijke en vrouwelijke versmelten en de mens wordt met zijn schepper verenigd. Na dit ‘heilige huwelijk’ wordt het Goddelijke kind –het Christuskind- in onze ziel geboren. Ook zij stelt vast dat ieder mens het potentieel bezit om een Messias, een Gezalfde, een Christus te worden. Zij typeert de opdracht die wij als mens hebben -net als C.G. Jung- als het overwinnen van onze dierlijke natuur om ons Goddelijke potentieel te realiseren.[7] Het was Steiner die de oosterse chakra-psychologie naar het westen bracht. In de tweede helft van ‘Hoe verkrijgt met bewustzijn op hoogere gebieden’ uit 1904 koppelt hij de chakra-psychologie aan de ontsluiting van het Christusbewustzijn.

Een woord dat in de Bijbel niet als zodanig voorkomt, maar onlosmakelijk verbonden is met de Christusimpuls, is ‘zelfinzicht’. Jacob Slavenburg (hedendaags historicus en schrijver) neemt ons onder meer in zijn boek ‘De geheime woorden’ mee naar diverse unieke logions uit het Evangelie van Thomas: “Juist veel van deze uitspraken handelen over de eigen verantwoordelijkheid van de mens en de aansporing om tot kennis van het eigen zelf te komen: ‘laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken …’, ‘want als jullie jezelf niet kennen, zullen jullie in armoede zijn …’, deze kennis van het zelf ontsluit de kennis van het Al, van alles. Jezus zei: ‘Wie het al denkt te kennen maar niet zichzelf blijft volkomen in gebreke.’ De mens dient zich deze zelfkennis te verwerven om te kunnen leven; ‘dan zal hij de dood niet smaken’: Jezus zei: als jullie verwerven wat in jezelf is, zal wat je hebt je redden. Als je het niet in je hebt zal dat, wat je niet hebt, je doden.[8]

In dit kader is ook interessant wanneer Slavenburg ons meeneemt naar het Boek van Thomas de Kampvechter. In dat boek heeft Jezus een gesprek met een Thomas, die zijn tweelingbroer wordt genoemd. Slavenburg gaat er echter vanuit dat dit spreekwoordelijk dan wel symbolisch is bedoeld, omdat deze Thomas de Christus in het eigen hart ontdekt en daardoor een zielsverwant van Jezus wordt. De Verlosser zei: “Broeder Thomas, zolang je de tijd in deze wereld hebt, luister naar me en ik zal je dat openbaren, waarover je in je hart hebt nagedacht. Want omdat men gezegd heeft dat jij mijn tweelingbroer en mijn ware metgezel bent, dien je jezelf te onderzoeken, opdat je zult begrijpen wie je bent, hoe je bent en hoe je zult worden. Daar men jou mijn broeder noemt, past het niet dat je over jezelf onwetend bent. Ik weet dat je hebt begrepen, omdat je al eerder inzag dat ik de kennis van de waarheid ben. In de tijd dat je me vergezelt, ben je, ofschoon je onwetend was, al tot kennis gekomen; daarom zal men jou “de zelf-kenner” noemen. Want hij die zichzelf niet heeft gekend, heeft niets gekend. Maar hij die zichzelf heeft gekend, heeft ook kennis over de diepte van het Al verkregen. Daarom heb jij nu, mijn broeder Thomas, het voor de mensen verborgene gezien; dat is datgene waaraan zij aanstoot nemen, omdat zij het niet kennen.” Uit het evangelie van Thomas citeert Slavenburg vervolgens logion 113 “Zelfkennis, het transformeren van het gespleten zelf tot de hele, totale mens, dat is een voorwaarde om het koninkrijk van de Vader te betreden; een koninkrijk dat over de aarde is uitgespreid maar door de mensen niet gezien wordt (…) Een koninkrijk dat iedereen in het hier en nu kan betreden als hij tot eenling, letterlijk monachos, is geworden; dat wil zeggen: als hij het binnenste en het buitenste, het bovenste en het onderste en het mannelijke en het vrouwelijke in zichzelf tot één gemaakt heeft (…).”[9] Ook Steiner ziet het verkrijgen van zelfinzicht als één van de voorwaarden om geesteswetenschappelijk te kunnen schouwen. Degene die de Christus in zich wil doen ontluiken heeft hiertoe een verantwoordelijkheid.[10]

Bij Thomas a Kempis (1380 – 1471, augustijner kanunnik, mysticus) horen we een zelfde geluid: “Indien gij dus mijn leerling wenst te zijn, moet gij uzelf aan mij offeren met al uw neigingen.”[11] A Kempis vertelt over de zwakheden van de mens in prachtige bewoordingen: “U, Heer, zal ik mijn zwakheid belijden. Vaak wordt ik om een kleinigheid terneergeslagen en bedroefd. Ik maak het voornemen mij moedig te gedragen, maar als er dan een kleine bekoring komt, raak ik deerlijk in het nauw. Het is soms maar een onbeduidend iets waar een zware bekoring uit voortkomt. En terwijl ik mij enigermate in veiligheid waan, ontdek ik soms, dat ik zonder erg bijna bezweken ben door een windzucht.”[12] In die tijd werd de tocht naar Christus als een bijna onmogelijke opgave gezien: “O mijn allerliefste bruidegom Jezus Christus, allerzuiverste minnaar, heerser over heel de schepping, wie geeft mij de vleugels van de ware vrijheid om naar U te vliegen en in U te rusten? (…) Nu echter blijf ik maar zuchten en draag ik met verdriet mijn ongeluk.”[13] Het streven naar licht en liefde van de moderne mysticus, komt hiermee vergeleken vederlicht over…

Tot besluit van dit artikel over ‘bestaat dé Bijbel’ in relatie tot moderne mystiek bespreek ik twee andere visies op Jezus Christus aan de hand van twee boeken genaamd ‘Jezus van Nazareth’. Het ene boek is geschreven door Joseph Ratzinger, oftewel paus Benedictus XXI, en het andere door Paul Verhoeven, filmregisseur. Verhoeven benadert de Bijbel voornamelijk traditioneel historisch. In zijn epiloog spreekt Verhoeven bijna verbolgen over de simpliciteit van Jezus woorden in de evangeliën nadat hij is opgestaan. Zijn conclusie: “Jezus is dood. Zijn geest is vernietigd, net als die van Einstein en Mozart. Een lichamelijke opstanding heeft nooit plaatsgehad.” Dat brengt Verhoeven bij de toegevoegde waarde van het Christendom. Hij ziet die wel degelijk. Verhoeven pleit ervoor om terug te gaan naar wat hij ziet als Jezus’ belangrijkste visie op het koninkrijk Gods: zijn parabels en de Bergrede. “De utopie van menselijk gedrag die daarin wordt verbeeld zal echter niet iets zijn dat –zoals Jezus dacht- ‘God’ als een zelfstandige actie ten behoeve van ons zal uitvoeren. Dát koninkrijk komt niet. Het mensbeeld dat Jezus voor ogen had kan alleen vanuit de mens zelf tot een realiteit worden: edelmoedigheid betonen ten aanzien van degeen die geen kans heeft gekregen voor zichzelf te zorgen; over wrok en rancune heenstappen en degeen die erkent misdaan te hebben met open armen ontvangen; de vijand als een evenwaardig mens behandelen als hij weerloos neer ligt.”[14] Verhoeven houdt zich dus niet zoals Steiner met ‘schouwen in het hart en het Akasha veld’ bezig en ziet geen mysteriewijsheid achter de tekst. Hij herkent in het verhaal wel een moreel appel en ook Verhoeven gaat er vanuit dat de mens zelf actie moet nemen om tot een groei van de ziel dan wel tot vrede te komen.

Paus Ratzinger daarentegen ziet wel degelijk een noodzaak tot wisselwerking tussen God en mens om tot groei te komen. Maar hij neigt naar een grotere afhankelijkheid van God dan van het eigen handelen als mens. Dit blijkt bijvoorbeeld uit zijn uitleg van Lucas 18,9-14, het verhaal van de farizeeër en de tollenaar, die allebei op een verschillende manier bidden in de tempel. De farizeeër praat over zichzelf tegen God en denkt God lof te brengen door zichzelf te prijzen. De tollenaar is zich bewust van zijn zonden en bidt om genade. Ratzinger stelt daarover: “Betekent dit nu dat de een het ethos belichaamt en de ander genade zonder ethos of tegen het ethos? In werkelijkheid gaat het niet om de vraag naar goed of verkeerd gedrag, maar om twee manieren van zich verhouden tot God en tot zichzelf. De een richt eigenlijk het oog niet op God, alleen op zichzelf. Hij heeft God eigenlijk helemaal niet nodig, want hij doet het zelf allemaal goed. Een echte relatie heeft hij niet met God. (…) De ander daarentegen kijkt vanuit God naar zichzelf. Hij heeft zijn blik naar God gewend en daardoor heeft hij zicht op zichzelf gekregen. Hij weet daardoor dat hij God nodig heeft en dat hij leeft dankzij diens goedheid, die hij niet kan afdwingen, die hij zichzelf niet kan bezorgen. Hij weet dat hij barmhartigheid nodig heeft en hij leert door Gods erbarmen hoe hij zelfbarmhartig kan worden, God gelijk. Hij leeft vanuit een relatie, hij krijgt alles geschonken.”[15] Waarbij de laatste twee zinnen elkaar wat lijken tegen te spreken. Om te vervolgen met: “Hij zal altijd goedheid en vergeving nodig hebben, maar hij zal steeds weer leren dat hij het ook door moet geven. De genade waarom hij smeekt, ontslaat hem niet van goed gedrag. Die genade is voor hem de voorwaarde om het goede werkelijk te doen. Hij heeft God nodig, en omdat hij dat erkent, begint hij dankzij Gods goedheid zelf een goed mens te worden.”[16]

Ratzinger ziet Jezus’ leven niet als een mythe, maar als een “exact te dateren, historisch gebeuren, net zo zwaarwegend als ieder ander gebeuren in de mensengeschiedenis – met een eenmaligheid en een nabijheid aan alle tijden, die niet hetzelfde is als de tijdloosheid van de mythe.”[17] Hier denkt Steiner, die de Christusimpuls als belangrijkste historisch feit ziet, die bij de kruisiging door Jezus de aarde in ging en nog altijd doorwerkt in mens en aarde, toch anders over. Ratzinger ziet de Bergrede “niet als een sociaal programma’ en is duidelijk over de aard van de Bijbel: “Uitleg van de Schrift kan geen louter academische aangelegenheid zijn, hij kan niet ingeperkt worden tot historische uitleg. In de Schrift liggen overal mogelijkheden verborgen, die pas in de omgang met haar woorden in het menselijk bestaan –in leven en lijden- naar boven komen.”[18] En daar vindt Ratzinger dan toch Steiner, Eckhart, Wegh, Pameijer en Slavenburg.     


[1] Verhoeven, P. (2009), Jezus van Nazareth, Meulenhoff, Amsterdam, p. 12.[2] Slavenburg, J. (2008), Valsheid in geschrifte, Walburg Pers, Zutphen, p. 78.
[3] Eckhart (1975), Van God houden als van niemand, Gottmer, Haarlem.
[4] Steiner, R. (2011), Van Jezus naar Christus, Pentagon, Amsterdam. Twee voordrachten. Eén voordracht gehouden in Karlsruhe 1911 en één in Hamburg 1913, p. 35-36 en Steiner, R. (2014), Hoe vind ik de Christus, Pentagon, Amsterdam. Twee voordrachten, één gehouden in Zürich in 1918 en één in Londen in 1922, p. 13.
[5] Pameijer, J.M. (1998), De Mythe van Christus, Ankh-Hermes, Deventer, p. 239.
[6] Pameijer, J.M. (2006), De vergeten waarheid, Aionion Symbolon, Amstelveen, p. 44-45.
[7] Wegh, A. (2016), Johannes de Doper die Jezus de Christus werd, Magdalena, onbekend, p. 45-49 en Wegh, A. (2015), Kundalini ontwaken, Nau, Blaricum.
[8] Slavenburg, J. (1996), De geheime woorden, Ankh-Hermes, Deventer, p. 88.
[9] Slavenburg, J. (1996), De geheime woorden, Ankh-Hermes, Deventer, p. 88-89.
[10] Slavenburg, J. (1990), Rudolf Steiner, Ankh-Hermes, Deventer, p. 32.
[11] Kempis, Th. a 2003 (3), De navolging van Christus, Pelckmans, Kapellen, p. 131.
[12] Idem, p. 182.
[13] Idem, p. 184-185.
[14] Verhoeven, P. (2009), Jezus van Nazareth, Meulenhoff, Amsterdam, p. 207-208.
[15] Ratzinger Benedictus XVI, J. (2012), Jezus van Nazareth, Lannoo, Tielt, p. 78.
[16] Idem, p. 78.
[17] Idem, p. 33.
[18] Idem, p. 92-93.

Share this Post