Een goddelijk wezen worden

Diverse religieuze stromingen en wijsheidsleren gaan ervan uit dat de mens een goddelijk wezen kan worden. Of, beter gezegd, al een goddelijk wezen ís. De godsvonk of geest van de mens ligt diep verborgen in zijn binnenste en kan worden gewekt en tot volle bloei komen als de mens leert luisteren naar zijn essentie.  Dit vraagt onder meer een open geest, het benutten van hoofd, hart en handen en een leefwijze die het goede, het schone en het ware onderzoekt en voorleeft. De ontwikkeling tot goddelijk wezen, wordt ook wel de ontwikkeling van ‘gnosis’, kennis van het hart of innerlijk wijsheid genoemd.

George Mead, filosoof en theosoof, zegt hierover in zijn boek Echo’s uit de Gnosis: “De essentie van het gnostieke gedachtegoed is het geloof dat de mens de grenzen van de dualiteit kan overschrijden en een bewust goddelijk wezen kan worden. Hij moet het probleem van zijn tijd oplossen, zijn huidige beperkingen te boven komen. (…) Gnostieke verlichting is mogelijk voor heel veel zielen in plaats van voor enkele individuen. Eén van de voorwaarden is het vermogen om zich boven de momentele opvattingen te verheffen tot de eeuwige gnosis.”

Dualiteit betekent dat er twee naturen zijn: een aardse en een goddelijke natuur. Je kunt in jouw aardse leven je goddelijke kern, je ziel, laten ontwaken. Door de oordelen en definities die de tijdgeest met zich meebrengt, zowel in religieuze stromingen als in natuurwetenschappen, te overstijgen. Dat betekent voor ons praktisch gezegd: geen dogma’s aanhangen en niemand veroordelen, maar juist zoeken in je binnenste (hart, ziel) en jezelf zuiveren van wat niet overeenkomt met het goede, het ware en het schone. Want (voor)oordelen staan eraan in de weg om je te openen voor dat wat wezenlijk belangrijk is: verbinding, liefde en wijsheid. Wie zich werkelijk opent, leert het onderscheid tussen de aardse natuur (lichaam) en het tijd- en ruimteloze (goddelijke) te overstijgen en een heel mens te worden.

Mead heeft in zijn boek ook een stukje opgenomen van Hermes Trismegistus, een wijze waarvan gezegd wordt dat hij lang voor Christus leefde. Hermes Trismegistus schrijft een loflied over de weg tot innerlijk weten. Het zijn gedachten over de Christusimpuls, ook wel het Christus-mysterie, Christusenergie, Christuskracht of de Lichtvonk genaamd. Een energie die zich in deze tekst richt tot het allerhoogste wezen en vraagt of hij naar de aarde mag om gnosis, innerlijk weten of innerlijk leiderschap te brengen. Ik ga er vanuit dat dit soort literatuur, net als bijvoorbeeld de Stenen tafelen en bepaalde Egyptische, Indiase en Babylonische geschriften, in visioenen (in directe verbinding met de oerbron) is ontvangen. Het loflied van Hermes luidt als volgt.

Dag van Zonneschijn
Daarom, zend mij, o Vader!
Met zegels in mijn handen zal ik nederdalen,
door universele Eonen zal ik een pad banen,
door alle mysteriën heen zal ik een weg openen!
Alle soorten goden wil ik tonen,
de geheimen van het heilige pad zal ik doorgeven,
en ik zal hen gnosis noemen.

Hoe dit wezen werkt op aarde
Dit wezen, deze energie, ook wel de Christusimpuls genoemd, komt onder meer in Rudolf Steiners antroposofie voor en in gnostieke en vele andere geschriften.

Het Latijnse woord Christus komt van het Griekse ‘christos’, dat gezalfde betekent. Het Griekse christos is het equivalent van het Hebreeuwse ‘messias’. Zalven is een juridisch-religieuze handeling die tot de riten van de inhuldiging van een koning behoorde en bestond in het uitgieten van de kroningsolie of het hoofd. Door zalving kreeg de gezalfde het vermogen om te heersen. Een gezalfde wordt gezien als een speciale beschermeling van Jahwe.

De meeste theologen zien Jezus Christus als één wezen. Volgens Rudolf Steiner gaat het daarentegen om twee wezens: een menselijk wezen, Jezus, en een goddelijk wezen, de Christus. Het woord ‘Christus’ verwijst zijns inziens niet naar de mens Jezus, maar is een aparte eigennaam naar een goddelijk-geestelijk wezen, dat de evangelist Johannes ‘Logos’ noemde. Steiner meent dat de mens Jezus van Nazareth, geboren uit moeder Maria en vader Jozef, tijdens de doop in de Jordaan de Christuskracht ontving.[1]

Steiner ziet Jezus als een man wiens ziel totaal rein was, die tot volle wijsheid over mens, wereld en kosmos was gekomen door mystieke scholing (onder meer bij de Essenen, in Egypte en in India) en die daarnaast in staat was om de geest van de kosmos (goddelijke geest) op te nemen. Er zijn volgens Steiner onderaardse en bovenaardse inwijdingen: “Bij de gebeurtenis van de doop door Johannes ging dat wat iedere mysterieleerling beleefde, over in de individuele mens. Van deze individuele mens stroomde iets in de geestelijke aardeatmosfeer uit, zodat iedere mensenziel daarin is ondergedompeld, zodat ze er slechts de geestelijk-zielsmatige verbinding mee moet zien te vinden. Dat kwam in de aardeatmosfeer binnen door de dood en de opstanding van Christus. Daardoor echter leeft de mens sinds het mysterie van Golgotha in een geestelijke omgeving, waarvan we kunnen zeggen: ze is verchristelijkt omdat ze de Christusimpuls in zich opgenomen heeft. (…) De mensen zelf kwamen in hun eigen wezen tot een hogere en grotere innerlijkheid, en daarmee was uiterlijk de mogelijkheid gegeven de Christus te vinden (…) het is niet nodig om naar beneden toe in egoïsme en naar boven toe in hoogmoed uit je mens-zijn te treden.”[2]

Wat zich duizenden jaren lang had afgespeeld als de ‘gang door de mystieke dood’ (een ritueel), speelde nu op het toneel van de wereldgeschiedenis. Alles wat binnen de grote inwijdingstempels in het verborgene was voltrokken, trad nu naar buiten en voltrok zich als een concrete gebeurtenis op Golgotha.[3]

Door de Christusimpuls krijgt ieder mens de mogelijkheid om te komen tot een diepgaand zielebesef en om tot onvoorwaardelijke liefde te komen. Steiner noemt dat de diepste, belangrijkste menselijke eigenschap. “Niet iets wat buiten mij wordt gevonden, maar wat ikzelf vind als ik de wegen van mijn eigen ziel voortzet; wat ik in het dagelijks leven beleef: dat is de liefde, die zich uitstrekt tot in de andere ziel en in andere wezens. (…) datgene wat Paulus aanduidt met de woorden: Niet ik, maar de Christus in mij.”.

Steiner stelt: “iemand die Christus in zichzelf beleeft, heeft met het doordringen tot de innerlijke Christus tegelijkertijd (…) de zekerheid dat Christus aan het begin van onze jaartelling in een fysiek lichaam geïnkarneerd was. (…) de mens moet zich door de juiste ontplooiing van onze zielekrachten verheffen tot Christus –en via Christus tot Jezus.”[4] Steiner hekelt het historisch onderzoek naar het bestaan van Jezus, ten koste van het Christus-beeld. Door Christus in zichzelf te beleven groeien in de mens zijn moed en daadkracht, waardoor zijn menselijke waardigheid groeit. Zodat ieder zich op de juiste wijze in de mensheid kan voegen en –net als de aanhangers van de Griekse mysteriën- de universele liefde kan beleven.

Dit beleven wordt in vele wijsheidstradities de gnosis genoemd. De kennis van het hart, die elk mens de mogelijkheid biedt om als goddelijk wezen te leven en zijn volledige potentie in liefde te benutten in de wereld.

[1] Steiner, R. (2011), Van Jezus naar Christus, Pentagon, Amsterdam, p. 56-57 (voordrachten gehouden in Karlsruhe, 1911 en Hamburg, 1913)
[2] Steiner, R. (2011), p. 50-51
[3] Steiner, R. (2002), Het evangelie naar Lucas, Vrij Geestesleven, Zeist, p. 229 (10 voordrachten gehouden in Bazel, 1909)
[4] Steiner, R. (2011), p. 37

Share this Post