Symbolische psychologie

Professor dr. Carl G. Jung is de grondlegger van de symbolische psychologie. Hij werkte met onbewuste inhouden om zijn patiënten weer gezond te krijgen. De patiënten kregen via o.a. associatie, droomduiding, actieve imaginatie en uitingen van complexen meer zelfinzicht. Ook konden ze daardoor met behulp van hun therapeut beslissingen in hun leven nemen die positief konden uitwerken op hun gestel. Jung putte zijn kennis uit onder andere gnostiek, hermetica en bronnen van mysteriescholen. Jung is daarmee de eerste die deze materie inzette voor de gezondheidszorg in plaats van louter spirituele ontwikkeling.

Op deze symbolische manier kun je ook naar de bijbel kijken. Eigenlijk kan je niet spreken van bijbel, omdat de teksten daarin in de loop der eeuwen zijn veranderd. Zo stelde een zogenaamd Jesus-seminar (een gezelschap van prominente Amerikaanse bijbelgeleerden, waar ook Paul Verhoeven vanaf 1986 bij was[1]) na jarenlange discussies dat de authenticiteit van Jezus’ woorden in de evangeliën op 18% ligt, terwijl 82% hem door latere bewerkers in de mond is gelegd.[2] Het is ook lastig om te spreken over Christus. Toch doen vele auteurs een poging om de gestalte of het wezen Jezus Christus en zijn boodschap te duiden op basis van deze teksten.

De focus op de liefde en het beleven van de Christusimpuls, en daarmee het goddelijke, in het hart vindt men onder meer terug in de mystiek. Zo stelt Meister Eckhart (Eckhart van Hochheim, 1260-1328): “De hemelse Vader baart zijn eniggeboren zoon in zichzelf en in mij. Waarom in zichzelf en in mij? Ik ben één met hem; hij kan zich niet uitsluiten. In hetzelfde werk ontvangt de Heilige Geest zijn wezen wordt hij van mij evenals van God. Waarom? Ik ben in God, en neemt de Heilige Geest zijn wezen niet van mij, dan neemt hij het ook niet van God. Ik ben op geen enkele wijze uitgesloten.”[3] De mens kon op deze manier door een ontwikkeling van de ziel beleven wat in vroeger tijden in de mysteriën werd beleefd. Hij sluit aan bij de visie van o.a. Rudolf Steiner en de rozenkruisers aan omdat beiden de aanwezigheid van het goddelijke in de mens en de –zoals Eckhart het noemt- godsgeboorte in de ziel benadrukken.

Steiner pleit voor een letterlijk nemen van de tekst van de evangeliën, bijvoorbeeld in het evangelie van Lucas om de veranderingen van de mensheid te kunnen bevatten. Steiner ziet het als een misverstand van het moderne evangelieonderzoek dat men daarin een uiterlijke biografie van Jezus van Nazareth wil vinden. Hij stelt dat de schrijvers in de evangeliën hebben willen weergeven wat de menselijke ziel op weg kan helpen om werkelijk die grote ziel lief te hebben als de oorsprong van het wereldbestaan. De evangeliën waren dus wegen, geschriften waarlangs de ziel Christus kon vinden, inspiratieboeken, inwijdingsboeken.[4] In ‘De christelijke inwijding en de mysteriën van de oudheid’ gaat hij hier verder op in.

Een gelijkluidende visie in de hedendaagse (populaire) literatuur komt van Johan Pameijer, die het als onze opdracht ziet om deze eeuw ‘de mythe van Christus’ te voltooien. Hij zoekt, zoals hij zelf zegt net als de gnostici, geen Christus aan het kruishout, maar een Christus in het hart van ieder mens. Daar vindt ook de wederkomst op aarde plaats. Hij stelt dat het evangelie van Philippus een schakel vormt tussen de mysteriewijsheid en de sacramentele eredienst: “wie de Naam verwerft is niet langer een christen maar een Christus”. Net als Steiner ziet hij in de evangeliën en mysteriereligies een leerschool tot bewustwording van de enorme potentiële vermogens die in de mens sluimeren. En dat wie er door immens zware innerlijke training in slaagde tot zijn eigen wezenskern door te dringen de mysterienaam Chrestos kreeg.[5]

Steiner koppelt in de tweede helft van zijn boek ‘Hoe verkrijgt met bewustzijn op hoogere gebieden’ uit omstreeks 1900 de chakra-psychologie aan de ontsluiting van het Christusbewustzijn. Ook Anne-Marie Wegh onderzoekt de symboliek, de beeldtaal, van de bijbel. Zij noemt de bijbel een ‘handleiding tot spiritueel ontwaken’ en trekt –net als Pameijer[6]– een parallel met een kundalini-ontwaken, dus het ontsluiten van de zeven chakra’s. Wegh schetst het beeld van deze energiecentra, die worden gezuiverd om het goddelijke licht ongehinderd door te laten. Daarbij wordt het zogenaamde energiecentra van het ‘derde oog’ geopend, zodat de tegenstellingen van de dualiteit plaats maken voor innerlijke eenheid, het mannelijke en vrouwelijke versmelten en de mens met zijn schepper wordt verenigd; na dit heilige huwelijk wordt het Goddelijke kind –het Christuskind- in onze ziel geboren. Ook zij stelt vast dat ieder mens het potentieel bezit om een Messias, een Gezalfde, een Christus te worden. Zij typeert de opdracht die wij als mens hebben als het overwinnen van onze dierlijke natuur om ons Goddelijke potentieel te realiseren.[7]

Een woord dat niet kan ontbreken bij de bespreking van de Christusimpuls is ‘zelfinzicht’. Jacob Slavenburg schrijft daarover onder meer in ‘De geheime woorden’ naar aanleiding van diverse logions die uniek zijn in het Evangelie van Thomas: “Juist veel van deze uitspraken handelen over de eigen verantwoordelijkheid van de mens en de aansporing om tot kennis van het eigen zelf te komen: ‘laat hij die zoekt niet ophouden met zoeken …’, ‘want als jullie jezelf niet kennen, zullen jullie in armoede zijn …’, deze kennis van het zelf ontsluit de kennis van het Al, van alles. Jezus zei: ‘Wie het al denkt te kennen maar niet zichzelf blijft volkomen in gebreke.’ De mens dient zich deze zelfkennis te verwerven om te kunnen leven; ‘dan zal hij de dood niet smaken’: Jezus zei: als jullie verwerven wat in jezelf is, zal wat je hebt je redden. Als je het niet in je hebt zal dat, wat je niet hebt, je doden.[8]

Slavenburg deelt verder een tekst uit het Boek van Thomas de Kampvechter waarin Jezus een gesprek heeft met Thomas die zijn tweelingbroer wordt genoemd, omdat Thomas de Christus in het eigen hart ontdekt en daardoor verwant aan Jezus wordt: De Verlosser zei: ‘Broeder Thomas, zolang je de tijd in deze wereld hebt, luister naar me en ik zal je dat openbaren, waarover je in je hart hebt nagedacht. Want omdat men gezegd heeft dat jij mijn tweelingbroer en mijn ware metgezel bent, dien je jezelf te onderzoeken, opdat je zult begrijpen wie je bent, hoe je bent en hoe je zult worden. Daar men jou mijn broeder noemt, past het niet dat je over jezelf onwetend bent. Ik weet dat je hebt begrepen, omdat je al eerder inzag dat ik de kennis van de waarheid ben. In de tijd dat je me vergezelt, ben je, ofschoon je onwetend was, al tot kennis gekomen; daarom zal men jou “de zelf-kenner” noemen. Want hij die zichzelf niet heeft gekend, heeft niets gekend. Maar hij die zichzelf heeft gekend, heeft ook kennis over de diepte van het Al verkregen. Daarom heb jij nu, mijn broeder Thomas, het voor de mensen verborgene gezien; dat is datgene waaraan zij aanstoot nemen, omdat zij het niet kennen.’ Uit het evangelie van Thomas citeert Slavenburg vervolgens logion 113 Zelfkennis, het transformeren van het gespleten zelf tot de hele, totale mens, dat is een voorwaarde om het koninkrijk van de Vader te betreden; een koninkrijk dat over de aarde is uitgespreid maar door de mensen niet gezien wordt (…) Een koninkrijk dat iedereen in het hier en nu kan betreden als hij tot eenling, letterlijk monachos, is geworden; dat wil zeggen: als hij het binnenste en het buitenste, het bovenste en het onderste en het mannelijke en het vrouwelijke in zichzelf tot één gemaakt heeft (…).”[9] Steiner verwacht mijns inziens meer geestelijke groei van het schouwen dan van het verkrijgen van zelfinzicht. Maar hij ziet het verkrijgen van zelfinzicht en het handelen dan wel nalaten als gevolg van het zelfinzicht wel als één van de voorwaarden ziet om geesteswetenschappelijk te kunnen schouwen. Steiner ziet een verantwoordelijkheid bij degene die de Christus in zich wil doen ontluiken.[10]

Over de ontwikkeling van de ziel via de weg van de bijbel en zelfinzicht vinden we bij Thomas a Kempis een zelfde geluid: “Indien gij dus mijn leerling wenst te zijn, moet gij uzelf aan mij offeren met al uw neigingen.”[11] A Kempis stelt deze neigingen als zwakheden van de mens in prachtige bewoordingen: “U, Heer, zal ik mijn zwakheid belijden. Vaak wordt ik om een kleinigheid terneergeslagen en bedroefd. Ik maak het voornemen mij moedig te gedragen, maar als er dan een kleine bekoring komt, raak ik deerlijk in het nauw. Het is soms maar een onbeduidend iets waar een zware bekoring uit voortkomt. En terwijl ik mij enigermate in veiligheid waan, ontdek ik soms, dat ik zonder erg bijna bezweken ben door een windzucht.”[12] Maar anders dan Steiner belicht A Kempis de tocht naar Christus als een bijna onmogelijke opgave: “O mijn allerliefste bruidegom Jezus Christus, allerzuiverste minnaar, heerser over heel de schepping, wie geeft mij de vleugels van de ware vrijheid om naar U te vliegen en in U te rusten? (…) Nu echter blijf ik maar zuchten en draag ik met verdriet mijn ongeluk.”[13]

Tot slot bespreek ik twee uitgaven van het boek ‘Jezus van Nazareth’. Het ene boek is geschreven door Joseph Ratzinger, oftewel paus Benedictus XXI, en het andere door Paul Verhoeven, filmregisseur. Om te starten met het boek van Verhoeven, waarin voornamelijk historisch onderzoek met gezond (?) verstand wordt gecombineerd. In zijn epiloog spreekt Verhoeven bijna verbolgen over de simpliciteit van Jezus woorden in de evangeliën nadat hij is opgestaan. Zijn conclusie: “Jezus is dood. Zijn geest is vernietigd, net als die van Einstein en Mozart. Een lichamelijke opstanding heeft nooit plaatsgehad.” Dat brengt Verhoeven bij de toegevoegde waarde van het Christendom. Hij ziet die echter wel degelijk en pleit ervoor om terug te gaan naar Jezus’ visie op het koninkrijk Gods, zoals hij dat in zijn parabels en de Bergrede heeft verwoord. “De utopie van menselijk gedrag die daarin wordt verbeeld zal echter niet iets zijn dat –zoals Jezus dacht- ‘God’ als een zelfstandige actie ten behoeve van ons zal uitvoeren. Dát koninkrijk komt niet. Het mensbeeld dat Jezus voor ogen had kan alleen vanuit de mens zelf tot een realiteit worden: edelmoedigheid betonen ten aanzien van degeen die geen kans heeft gekregen voor zichzelf te zorgen; over wrok en rancune heenstappen en degeen die erkent misdaan te hebben met open armen ontvangen; de vijand als een evenwaardig mens behandelen als hij weerloos neer ligt.”[14] Verhoeven schouwt dus niet zoals Steiner en ziet geen mysteriewijsheid achter de tekst. Hij herkent in het verhaal wel een moreel appel. Hoewel Steiner Jezus (Christus) hele andere krachten en een andere plek in de geschiedenis toedicht dan Verhoeven, gaan ze er dus wél beiden vanuit dat de mens zelf actie moet nemen om tot een groei van de ziel dan wel tot vrede te komen.

Ratzinger daarentegen ziet wel degelijk een noodzaak tot wisselwerking tussen God en mens om tot groei te komen, maar neigt toch naar een grotere afhankelijkheid van God dan van het eigen handelen als mens. Dit blijkt bijvoorbeeld uit zijn uitleg over de Lucas 18,9-14, het verhaal van de farizeeër en de tollenaar, die allebei op een verschillende manier bidden in de tempel. De farizeeër praat over zichzelf tegen God en denkt God lof te brengen door zichzelf te prijzen. De tollenaar is zich bewust van zijn zonden en bidt om genade. Ratzinger stelt daarover: “Betekent dit nu dat de een het ethos belichaamt en de ander genade zonder ethos of tegen het ethos? In werkelijkheid gaat het er niet om de vraag naar goed of verkeerd gedrag, maar om twee manieren van zich verhouden tot God en tot zichzelf. De een richt eigenlijk het oog niet op God, alleen op zichzelf. Hij heeft God eigenlijk helemaal niet nodig, want hij doet het zelf allemaal goed. Een echte relatie heeft hij niet met God. (…) De ander daarentegen kijkt vanuit God naar zichzelf. Hij heeft zijn blik naar God gewend en daardoor heeft hij zicht op zichzelf gekregen. Hij weet daardoor dat hij God nodig heeft en dat hij leeft dankzij diens goedheid, die hij niet kan afdwingen, die hij zichzelf niet kan bezorgen. Hij weet dat hij barmhartigheid nodig heeft en hij leert door Gods erbarmen hoe hij zelfbarmhartig kan worden, God gelijk. Hij leeft vanuit een relatie, hij krijgt alles geschonken.”[15] Waarbij ik dan zelf –puur speculatief- vanuit de tegenstrijdigheid van de laatste twee zinnen het gevoel krijg dat de paus stelt dat je aan God gelijk kan worden, maar dat het instituut daaraan de laatste zin heeft toegevoegd voor het boek de deur uit kon. Om te vervolgen met: “Hij zal altijd goedheid en vergeving nodig hebben, maar hij zal steeds weer leren dat hij het ook door moet geven. De genade waarom hij smeekt, ontslaat hem niet van goed gedrag. Die genade is voor hem de voorwaarde om het goede werkelijk te doen. Hij heeft God nodig, en omdat hij dat erkent, begint hij dankzij Gods goedheid zelf een goed mens te worden.”[16]

Ratzinger ziet Jezus’ leven niet als een mythe, maar als een “exact te dateren, historisch gebeuren, net zo zwaarwegend als ieder ander gebeuren in de mensengeschiedenis – met een eenmaligheid en een nabijheid aan alle tijden, die niet hetzelfde is als de tijdloosheid van de mythe.”[17] Hier denkt Steiner, die de Christusimpuls als belangrijkste historisch feit ziet, toch anders over. Wel op één lijn zitten Ratzinger en Steiner omtrent de wijze waarop men tot verwerkelijking van de Christusimpuls kan komen: 1. door er niet alleen kennis van te nemen maar er ook naar te handelen en 2. door ‘het goede’ te doen voor het geheel. Ratzinger stelt hierover: “De Bergrede als zodanig is inderdaad geen sociaal programma. Maar alleen waar haar hoofdoriëntatie kracht geeft om van eigenbelang af te zien en verantwoordelijkheid te dragen voor de naaste en voor het geheel, alleen daar kan ook sociale gerechtigheid tot stand komen.” en “De betekenis van een woord kan het beste afgelezen worden aan mensen die door dat woord gegrepen zijn en het waargemaakt hebben in hun leven. Uitleg van de Schrift kan geen louter academische aangelegenheid zijn, hij kan niet ingeperkt worden tot historische uitleg. In de Schrift liggen overal mogelijkheden verborgen, die pas in de omgang met haar woorden in het menselijk bestaan –in leven en lijden- naar boven komen.”[18]

[1] Verhoeven, P. (2009), p. 12.
[2] Slavenburg, J. (2008), p. 78.
[3] Eckhart, (1975).
[4] Steiner, R. (2011), p. 35-36 en Steiner, R. (2014), p. 13.
[5] Pameijer, J.M. (1998), p. 239.
[6] Pameijer, J.M. (2006), p. 44-45.
[7] Wegh, A. (2016), p. 45-49 en Wegh, A. (2015).
[8] Slavenburg, J. (1996), p. 88.
[9] Slavenburg, J. (1996), p. 88-89.
[10] Slavenburg, J. (1990), p. 32.
[11] Kempis, Th. A. 2003 (3), p. 131.
[12] Kempis, Th. A. 2003 (3), p. 182.
[13] Kempis, Th. A. 2003 (3), p. 184-185.
[14] Verhoeven, P. (2009), p. 207-208.
[15] Ratzinger Benedictus XVI, J. (2012), p. 78.
[16] Ratzinger Benedictus XVI, J. (2012), p. 78.
[17] Ratzinger Benedictus XVI, J. (2012), p. 33.
[18] Ratzinger Benedictus XVI, J. (2012), p. 92-93.

Share this Post