Antroposofisch groeimodel

Binnen de antroposofie wordt ervan uitgegaan dat de mens innerlijk kan groeien door zelfinzicht. Dr. Rudolf Steiner hield daarover tussen 1890 en 1925 circa 6000 voordrachten, waaruit honderden boeken werden opgesteld. Steiner ziet in de ontwikkeling van de mens een speciale rol weggelegd voor de groei van de ziel, die wordt geïnspireerd door een kracht die Steiner de christusimpuls noemt. Een kracht die van Jezus, Jezus de Christus maakte en heeft voorkomen dat wij op aarde volledige ik-gerichte wezens zijn geworden. Hieronder een samenvatting van Steiners fasen van innerlijke ontwikkeling.

Steiner omschrijft de metamorfose van de ziel op verschillende manieren, maar vooral als een ontwikkeling die gedurende het leven plaatsvindt, waarin het lichaam, de ziel en de geest zich ieder in drie fasen van zeven jaar ontwikkelen: fysiek lichaam, ether- of levenslichaam, astraal lichaam, gewaarwordingsziel, verstands- of gemoedsziel, bewustzijnsziel, geestzelf, levensgeest en geestmens. Waarbij Steiner de drie zielswezens ook samen aanduidt als het ‘ik’.

Daarbij is de mens uitgerust met twee typen ‘zelf’: het zelf dat de mens met zijn gedachten, gevoelens en bewuste wilsimpulsen omvat en een tweede, krachtiger zelf, waaraan hij is onderworpen als aan een hogere macht. Door de ontwikkeling in achtereenvolgende levens op aarde wordt de mens volgens Steiner langzaam maar zeker de uitdrukking van goddelijke krachten. Hierdoor beseft de mens dat hij niet alleen is, maar een innerlijke goddelijke gids heeft en dat hij boven zichzelf kan uitstijgen, wat rust geeft en de ziel doordringt met bescheidenheid.

De ontwikkeling die de mens in zijn persoonlijke leven doormaakt maakt ook de mensheid door als onderdeel van een historische ontwikkeling. Wanneer we de ziele-ontwikkeling van mens en mensheid zien als de essentiële schakel tussen micro- en macrokosmos, tussen mens en kosmos, dan is de christusimpuls het bruisend overlopen van het hart, dat gedurende de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens tot volledige wasdom zal komen.

Steiner ziet deze ontwikkeling in alle religies terug, zoals in het christendom omschreven via de symboliek achter de bijbelverhalen en bijvoorbeeld ingebed in de wijsheden van Zarathustra en de Boeddha. Hij positioneert de leren van deze geestelijk leiders -die de christuskracht kenden onder een andere naam- niet zozeer als religieus, maar als onderdeel van de ontwikkeling van de mensheid. Vandaar ook de naam van zijn geesteswetenschap: ‘wijsheid/kennis van de mens’, antroposofie.

Wat Steiner heeft geschouwd via geesteswetenschappelijke weg met betrekking tot de groei van de ziel kan ook op hoofdlijnen worden teruggevonden in literatuur over gnostiek, mystiek, de psychologie van Jung en literatuur over de beeldtaal in sprookjes, mythen en sagen. De christusimpuls wordt dan wel het goddelijk deel van jezelf genoemd, de godsvonk of de godsgeboorte in de ziel (mystiek en gnostiek) en als kanaal van god en als bron van liefde (o.a. Pameijer, Ratzinger en Verhoeven). De evangeliën worden soms letterlijk (Steiner, Pameijer), dan weer als beeldtaal geïnterpreteerd (Jung, Wegh) of als mysteriewijsheid, maar altijd als handleiding voor spiritueel ontwaken.

Voor alle auteurs staat vast dat een actieve houding wordt verwacht van degene die tot Christus, ofwel tot eenheid, wil komen oftewel een heel wezen wil worden en dat diverse stappen of fasen worden afgelegd. Daarbij is zelfinzicht en het verwerken van complexen een essentiële sleutel. Zijn deze stappen gezet dan kan men zijn gave of ontwikkeling niet vrijblijvend en voor zichzelf houden, maar wordt men volgens Steiner ‘tot instrument voor de bevrijding van het goddelijke licht’. Je zult gaan stralen en een inspiratiebron voor anderen worden.

Wat Steiner onderscheidt van andere auteurs is zijn tot in detail uitgewerkte visie ten aanzien van de ontvangst, de context en de historische inbedding van de christusimpuls. Jung bijvoorbeeld is terughoudend in het duiden van de ontwikkeling van de psyche –die hij ook aanduidt als het archetype van de Christus en als ziel- als een historische gebeurtenis. Hoewel Jung zijn twijfels uit over de bewijsbaarheid van de ziel als onzichtbaar onderdeel van de mens, neemt hij deze wel als leidraad voor geestelijke genezing. Hieruit blijkt dat het schouwen uniek is voor Steiners geesteswetenschap en antroposofie, maar dat de te bewandelen weg tot innerlijke groei van beide heren erg op elkaar lijkt.

Share this Post