Individuatie en de MBTI

Psychiater en psycholoog dr. Carl Gustav Jung deed pionierswerk en schreef diverse boeken op het snijvlak van psychologie, religie en bewustzijn. Hij deed zijn best om zijn nieuwe ideeën ten aanzien van bijvoorbeeld bewuste en onbewuste, psychologische typen en synchroniciteit in de toen geldende wetenschap te gieten, zonder voorbij te gaan aan filosofische, religieuze, historische en metafysische ideeën. In de laatste jaren van zijn leven werd zijn werk steeds meer gericht op de verhouding tussen religie en de door hem ontwikkelde vorm van psychologie. De Christusimpuls -die hij overigens niet exact zo benoemt- bespreekt hij onder meer in zijn boeken Aion, Antwoord op Job, Verlossing in de alchemie en Mysterium Coniunctionis[1]. Op basis van zijn werk is de Myers-Briggs type indicator (MBTI) ontstaan. Zoals je in dit artikel kunt lezen is deze systematiek om de verschillen in persoonlijkheid van iemand te classificeren maar een heel klein stukje van het totale beeld wat Jung van de mens en zijn ontwikkeling heeft.

Jung zag parallellen tussen zijn psychologie en alchemie en gnostiek. Hij stelde vast dat de maatschappij in de tijd van de komst van Christus een zeer eenzijdig onbewuste grondhouding had ontwikkeld, die wordt doorbroken door het Christelijk ontwikkelingsproces: “Het is juist de beweging der Gnostiek in de eerste eeuwen van het Christendom, die de duidelijkste uitingsvorm is van het doorbreken van onbewust inhouden op het moment van compensatie. Het Christendom zelf betekende de vernietiging en het opofferen van antieke cultuurwaarden, dat wil dus zeggen van de antieke geesteshouding.”[2]

Jung merkt al jong dat er een verschil bestaat tussen het hebben van theorieën over God en Christus, waarvan de meeste filosofen en theologen zich bedienen, en deze krachten zelf beleven. Hij verwonderde zich erover dat God eenzijdig wordt belicht en dat de kwade kanten niet werden verklaard. Daarmee ontstond zijn idee over de dualiteit. Deze had hij gemeen met de gnostici.[3] Om die reden speelde hij later in zijn leven een belangrijke rol bij het naar het Westen halen van één van de Nag Hammadi geschriften, de Codex Jung, naar hem vernoemd.

Onderdeel van deze Codex Jung was het in de vorige paragraaf besproken Evangelie van de Waarheid van Valentinus, die Jung als een commentaar op de christelijke boodschap beschouwt. Hij leest dit zo dat Christus een lichtbrenger is, uit de Vader voortgekomen om de bedomptheid, duisternis en onbewustheid van de mensheid te verhelderen en het individu door zelfkennis tot zijn oorsprong terug te voeren. Jung legt vervolgens uit dat het onbewuste op deze komst van Christus reageert met beelden, zoals slang, vis, pauw etc.[4] Opvallend is dat Jung nog voor het verschijnen van deze gnostische geschriften een zelfde visie op het ontstaan van de wereld heeft geuit in zijn ‘Zeven onderwijzingen aan de doden’.[5]

Jung erkent een zielsprincipe, dat hij richting patiënten aanduidde als ‘een soort subtle body (fijnstoffelijk lichaam)’.[6] Hij duidt haar aan met ‘psyche’ en beschouwt haar als een weerspiegeling van mens en wereld. Het eindige kan nooit het oneindige begrijpen, stelt hij, om daaraan toe te voegen dat de ziel de enige onmiddellijke verschijning van de wereld is en daarom ook de noodzakelijke voorwaarde voor een algemene ervaring van de wereld.[7]

Jung onderscheidt in tegenstelling tot bijvoorbeeld Rudolf Steiner geen lichaams- of fysieke wezensdelen, maar maakt wel een onderverdeling in vijf verschillende delen van de psyche. Jung onderscheidt het ego en bewustzijnsveld als bewuste delen en het persoonlijk onbewuste, collectief onbewuste en de diepste lagen van het collectief onbewuste als onbewuste delen van de geest. Drs. Karen Hamaker, Jung-kenner en –opleider, verwoordt deze onderverdeling als volgt: “Het ego of ik is het centrum van het bewustzijnsveld en het enige instrument van de psyche waarmee we ons oriënteren, onszelf leren kennen, en keuzen maken: het is onze identiteit, ofwel dat waar we ‘ik’ tegen zeggen. Het bewustzijnsveld of bewustzijn bevat alle delen van de psyche die een relatie met het ik hebben, ofwel door het Ego worden gezien en gekend. Het persoonlijk onbewuste is dat deel van het onbewuste waar we onze persoonlijke nog verborgen gaven en talenten kunnen vinden, en waar alles wat we niet meer, of nog niet van onszelf weten, op ontdekking wacht. Het bevat onze persoonlijke verdringingen en dat waar we persoonlijk aansluiten op de problemen in familie en cultuur. Het persoonlijk onbewuste wordt ook wel Schaduw genoemd. Het collectief onbewuste bevat materiaal dat letterlijk collectief is en verder terug ligt. In het collectief onbewuste liggen de ervaringen van de mensheid. Jung zegt: “In het collectief onbewuste liggen de typische patronen van menselijke ervaring en gedrag, die voortvloeien uit de geërfde mogelijkheid tot psychisch functioneren in het algemeen, namelijk uit de overgeërfde hersenstructuur.” Jung noemt deze typische patronen archetypen. De oerervaringen van de mensheid zijn voor ieder van ons nog altijd bereikbaar.”[8]

Nog enkele vergelijkingen met de theorieën van Rudolf Steiner. Steiner kent verschillende bewustzijnsniveaus: het materiële, het imaginatieve, het geïnspireerde en het intuïtieve bewustzijn. Het materiële of gewone zintuiglijke bewustzijn kent een rol toe aan de sensatie van de van buiten ontvangen indruk, het beeld van het object, het begrip dat tot een bevatten leidt en het ik, dat door de indruk tot een beeld komt en dat in het geheugen bewaart. Bij de daarop volgende bewustzijnstrappen valt telkens een element weg. Zo is in de imaginatieve bewustzijnsfase de sensatie verdwenen, beelden komen als vanzelf op. In de geïnspireerde bewustzijnsfase is er slechts het begrip en het ik.[9] Jungs theorie kent een soortgelijke indeling. Hij deelt het verwerken van informatie op in vier typen: denken (vergelijken van kennis), voelen (waardering ervaren), intuïtie (de mogelijkheden die in een situatie aanwezig zijn) en gewaarwording (het benutten van zintuigen).[10] Deze typen deelt hij ook toe aan mensen: vier menstypen die één van deze vier functies als uitgangspunt hebben en een tweedeling: mensen konden als extravert of introvert worden getypeerd. Op basis hiervan is de Myers-Briggs type indicator (MBTI) ontstaan. Zoals je hierboven kunt zien is deze theorie maar een mini stukje van Jungs totale beeld van de mens, zijn groeiproces en zijn typologie. Bovendien is het Jung niet te doen geweest om de mens te classificeren, maar om de rest van de functies te kunnen ontwikkelen om tot heelheid te komen.

De typische patronen van menselijke ervaring en gedrag die Jung archetypen noemt, brengen de overeenkomsten tussen Steiner en Jung verder in beeld. Jung ziet in Christus het archetype van het zelf, maar ziet Christus en het zelf niet als gelijk aan elkaar. Hij legt uit dat bewustwording van dit zelf weliswaar geen compleetheid inhoudt, wanneer het zelf streeft naar perfectie en alles in het teken van dit streven komt te staan. Dan drijft het juist verder af van compleetheid en zelfverwerkelijking.”[11]

Van een historische gebeurtenis rondom Christus die leidt tot een verandering bij mens en mensheid is bij Jung geen sprake. Jung zag Jezus als een mens. Hij ging ervan uit dat de Heilige Geest die hem verwekt had na Christus’ dood diens plaats zou innemen en noemt het idee van een historisch effect van het leven van Christus zelfs een ‘zwakzinnige, maar ook doodse zienswijze’.[12] Jung had in zijn jeugd angst voor en wantrouwen jegens de ‘Here Jezus Christus’, omdat deze elke keer opdook als er iemand dood was.[13] Het lijkt dus enigszins opmerkelijk dat ook Jung Christus neemt als uitdrukking van het zelf, bij Steiner het ‘ik’ genaamd. Maar Jung ziet zijn eigen analytische psychologie net als Steiner binnen het kader van een alomvattend goddelijk bewustwordingsproces. Een proces waarin God c.q. het onbewuste zich via het ik c.q. het bewustzijn door de incarnatie van de godmens van zichzelf bewust wordt. Hij ervaart dit ook zelf in diverse visioenen, waaronder één waar een crucifix badend in een stralend licht verschijnt, dat hij later duidt als een alchemistisch Christus-visioen.[14] Cruciaal in dit leven staat de menswording van God, een mysterie dat weliswaar verbeeld wordt in de figuur van Jezus Christus, maar voor Jung als levensopdracht voor elk mens is weggelegd, een boodschap die zijn eigen leven zin geeft. Jung ziet dit als het doel dat de mens een zinvolle plaats in de schepping geeft en daarmee ook aan de schepping zelf zin geeft.[15] Uit de autobiografie van Jung blijkt dat hij ervan overtuigd was dat hij de wil van God deed. Hij sprak regelmatig met een Ander in een plaats buiten de tijd, in het eeuwige. Tegelijk wist hij dat hij de volledige verantwoordelijkheid voor zijn leven kon nemen en zijn lot in eigen hand had.[16]

Jung ziet de individuatie of zelfverwerkelijking in een wat ander perspectief dan Steiner.[17] Namelijk beginnend tussen het vijfendertigste en veertigste levensjaar, terwijl Steiner de Christusimpuls inherent aanwezig acht in de mens en als een levenslang werkend principe ziet. Jung onderscheidt het eerste deel van deze tweedeling als het aanpassen aan collectieve patronen en van realisatie van concrete behoeften zoals het kiezen van een beroep, partner en stichten van een gezin. In het tweede deel ontplooit de persoon als individueel wezen, waarbij het accent meer komt te liggen op geestelijke waarden, zoals gedachten en normen over de zin van het leven.[18] In zoverre lijken de theorieën eveneens op elkaar, maar hanteert Jung geen groeiperioden van zeven jaar die parallel lopen met de ontwikkeling van de wezensdelen. Jungs individuatieproces kenmerkt zich door het bewust tot een vergelijk komen met het eigen innerlijke centrum, de psychische kern of Zelf en begint gewoonlijk met een verwonden van de persoonlijkheid dat ermee gepaard gaat. Deze beginschok staat gelijk aan een soort appèl. Het ik voelt zich belemmerd in zijn wil of begeerte en projecteert het beletsel op iets uitwendigs als God, de baas of de huwelijkspartner. Of alles lijkt uiterlijk helemaal in orde, maar onder de oppervlakte lijdt een persoon aan een dodelijke verveling, die alles zinloos en dood schijnt te maken.[19]

De door Jung gesignaleerde individuatie gaat verder wanneer iemand vervolgens tracht aan zichzelf te werken. Waar Steiner tracht zijn geesteswaarnemingen zo precies mogelijk trachtte te vatten in taal, vertaalt Jung psychologische processen in symbolen en andersom. Zo heeft Jung de overeenkomst ontdekt tussen de fasensymboliek van alchemistisch werk en de symbolen van individuatie, ofwel het bewustwordingsproces.[20] De fasen weerspiegelen een proces van psychologische rijping en ontwikkeling van de individuele persoonlijkheid. Dit proces kan in de tweede levenshelft een hoogtepunt bereiken in de ontdekking van het Zelf: het archetype van de totaliteit, en het eigenlijke centrum van de persoonlijkheid. Zoals net vermeld zag Jung in het Zelf het archetype van de Christus. En de symbolen die dan in dromen of fantasieën verschijnen vertonen verwantschap met de alchemistische zinnebeelden, zoals de steen der wijzen, de hermafrodiet of de homunculus (het mensje). De hoogtepunten van deze fasen en markeringspunten in het individuatieproces zijn: de fase van het nigredo (zwarte) die te vergelijken is met de confrontatie met de schaduw; het albedo (witte) dat overeenkomt met de voortgezette exploratie van het onbewuste; in het rubedo (rode) wordt het Zelf geboren.[21] Opvallend is de gelijkenis tussen de alchemistische beelden en de gnostiek van met name Mani over duisternis en licht als beeld voor zwart en wit, voordat in zijn gnostieke beweging Jezus de Lichtglans op aarde kwam. In dit opzicht zie ik geen directe link met Steiner, maar wel weer met de gnostiek. Jung kende meer waarde toe aan de dualiteit die ook de gnostiek kent, onder meer door in zijn theorieën een belangrijke rol toe te schrijven aan de ontwikkeling van de animus, een mannelijke kracht in het onbewuste van de vrouw en de anima, een mannelijke kracht in het onbewuste van de man. Deze krachten hebben tot doel het verbinden van het individuele bewustzijn en het collectieve onbewuste. [22]

Jung gaat ervan uit dat zelfverwerkelijking alleen kan plaatsvinden wanneer complexen, die zich in het onbewuste bevinden en te maken kunnen hebben met eigen verdringingen, oude familiethema’s, cultuur en religie en/of oerervaringen van de mensheid, worden verwerkt. Dit verwerken leidt tot innerlijke groei en gebeurt geleidelijk. In de filosofie van Steiner is dit vergelijkbaar met de drempels die men moet nemen om te komen tot bewustzijn op hogere gebieden: het gaan van het pad der verering (verering van de heilige waarheid, terughouden van negatieve oordelen, geduld bewaren, gevoelens ervaren als ware men een derde persoon) om ons vrij te maken van emoties.[23] Verder zal men controle moeten krijgen over gedachten en gevoelens en innerlijke angsten overwinnen, waarna men rijp is voor de inwijding. Deze inwijding betreft een vuurproef, een waterproef en een luchtproef, waarna hij de tempel der hogere kennis betreedt. Daar leert hij een eed af te leggen om de verworden geestelijke kennis niet te misbruiken, maar in dienst te stellen van de mensheid.[24] Deze laatste stap, het afleggen van een eed, maakt Jung niet in zijn psychologische uitgangspunten. Jung zet wel uitgebreid de verhouding arts – patiënt uiteen, waarbij overdracht en projectie grote thema’s zijn.[25]

Jung heeft een fascinatie voor sterren en planeten. Hij ziet een overeenkomst tussen het overwinnen van psychische hindernissen en een reis langs de hemellichamen, zoals Mercurius, Venus, Sol en Luna. Weliswaar ziet hij niet dezelfde historische ontwikkeling als Steiner, die de ontwikkeling van de planeten koppelt aan de ontwikkeling van de mensheid. Maar Jung ziet de ‘planeetgoden’ wel als personificaties van algemene menselijke karaktertrekken, drijfveren, psychische dimensies of archetypen en dus net als Steiner een parallel tussen microkosmos (het collectieve onbewuste in de mens) en de macrokosmos, het universum. De rol van de liefde, die we bij Steiner terugvinden als het gevolg van de komst van de Christus en de Christusimpuls en ook bijvoorbeeld in de mystiek een rol speelt, wordt bij Jung niet op die manier belicht.

[1] Jung, C.G. (1981), (1998), (1995), (1989).
[2] Jung, C.G. 1958 (4), p. 22.
[3] Jung, C.G. 2015 (9), p. 60-61.
[4] Uit de voordracht van Jung tijdens de overdracht van de Jung Codex in november 1953, te vinden op de website van de C.G. Jung Vereniging.
[5] Jung, C.G. 2015 (9), p. 334-349.
[6] Jung, C.G. 2000 (2), p. 46.
[7] Jung, C.G. 2001 (5), p. 7.
[8] Karen Hamaker, Introductieschema’s Jungiaanse psychologie, p. 2-3.
[9] Slavenburg, J. (1990), p. 34-35.
[10] Jung, C.G. 2001 (5), p. 8-10.
[11] Jung, C.G. 1981 (5), p. 69.
[12] Jung, C.G. 2015 (9), p. 92.
[13] Jung, C.G. 2015 (9), p. 20.
[14] Jung, C.G. 2015 (9), p. 183.
[15] Jung, C.G. 2000 (2), p. 22, Inleiding door Dr. Theol. Hugo Van Hooreweghe.
[16] Jung, C.G. 2015 (9), p. 49.
[17] Birgelen, J.H. van & Vries-Ek, E.P. de (1999), p. 55.
[18] Birgelen, J.H. van & Vries-Ek, E.P. de (1999), p. 55.
[19] Jung, C.G. c.s. (1992), p. 166.
[20] Birgelen, J.H. van & Vries-Ek, E.P. de (1999), p. 53.
[21] Birgelen, J.H. van & Vries-Ek, E.P. de (1999), p. 53.
[22] Jung, C.G. 2015 (9), p. 361.
[23] Steiner, R. (1904).
[24] Slavenburg, J. (1990), p. 31-33.
[25] Jung, C.G. 2001 (5) Maatschappij en individu.

Share this Post